Lees dit voor je jezelf verwondt

Je aarzelt nog even. In je handen heb je een voorwerp waarmee je jezelf wil verwonden. Ook al weet je eigenlijk niet zo goed of dit effectief zal helpen om je hoofd rustiger te maken. Je voelt angst, oneindig veel angst. Toch maak je die eerste kras. En vanaf dan lijkt de weg eindeloos. 


Ik was dertien toen ik mezelf voor het eerst verwondde. Eigenlijk wist ik toen niet dat zoveel andere jongeren dit ook deden. Ik voelde mij alleen op de wereld. Daarom verborg ik de krassen ook heel lang, tot ze op een dag ontdekt werden. En dan werd ik ‘het meisje dat zichzelf sneed’, alsof ik nooit meer iemand anders zou worden.

In het begin maakte ik ‘oppervlakkige’ krassen. Hoewel oppervlakkige zelfverwonding voor mij niet bestaat. Het is altijd ernstig, de drang om jezelf te verwonden alleen al, is ernstig. Er bestaat geen ‘lichte’ of ‘oppervlakkige’ zelfverwonding.

Alleen had ik steeds een hogere dosis pijn nodig om het monster in mijn hoofd stil te krijgen. Het gedrocht in mijn hoofd beval me steeds dieper te snijden en te branden. En er leek geen weg terug. Ik ging steeds verder. Tot er drie operaties nodig waren om brandwonden te dichtten. Wat me daarnaast ook chronische zenuwpijn opleverde. Een heel ellendig gevolg van mijn eigen destructie. En een gevolg dat me voor altijd aan mijn zelfverwonding zal doen herinneren. Het monster in mijn hoofd werd het monster in mijn linkerarm.

Eigenlijk ben ik het pas achteraf ‘erg’ gaan vinden. In de periode waarin ik mezelf pijn deed, kon het niet ‘erg’ genoeg. De schade was nooit groot genoeg voor mij. Zelfs na een operatie dacht ik vaak: ‘het valt wel mee’, of sprak ik van ‘een wondje’. Ik zag de realiteit niet meer. Ik zag niet dat ik doodging door mijn eigen gedrag. Dat ik mezelf om zeep hielp. Het moest altijd erger. De zelfhaat was nooit groot genoeg.

En dan kwam het ‘leren leven met’, toen ik mezelf eindelijk niet meer verwondde. De zenuwpijn. De littekens die mijn, vroeger zo gave huid, op een reptiel doen lijken. Het zal nooit weggaan, en ik zal levenslang met de gevolgen van zelfverwonding leven. De gevolgen van die ene kras die tot zo’n ellende leidde.

Ik wou dat ik mezelf nooit verwond had. Eerlijk waar. Ik wou dat ik er nooit mee begonnen was. Want nu is het ‘voor altijd’. En het zal nooit meer weggaan.

 

 

Wanneer snijden een wedstrijd wordt

Het was mijn eerste avond op de jeugdafdeling van een psychiatrische kliniek. Ik was immens zenuwachtig en liep er wat verloren bij. Uiteindelijk geraakte ik aan de praat met een mooi, roodharig meisje. Ze vroeg niet wie ik ben, maar wel wat de reden van mijn opname was. ‘Waarom ben je hier’ zou een vraag worden die mij nog vaak gesteld wordt.

Ik noemde kort de redenen van mijn opname, ietwat beschaamd. En toen ik het woord ‘snijden’ uitsprak, veranderde haar mimiek. Ze vroeg onmiddellijk of ik mijn armen kon laten zien. Ik vond dit een hele ongepaste vraag. Maar ik was zestien, een beïnvloedbare puber. Dus ik schoof mijn mouwen wat omhoog. Het voelde alsof ik naakt was, zonder de lange mouwen waaronder ik mijn geheimen schuilhield. 

Onmiddellijk reageerde de groepsgenoot met: ‘dat zijn maar krasjes, bij mij is het veel erger’. Toen kwam bij mij de indruk dat zelfbeschadiging een competitie werd. En dat gevoel zou jaar na jaar groeien. 

In de klinieken waar ik verbleef, merkte ik vaak dat vrijwel iedereen ‘de ergste’ wilde zijn. En zo was het, naast onder andere eetstoornissen, ook op vlak van zelfverwonding. Het leek alsof velen zich wilden bewijzen door ‘de ergste’ te zijn en de meest ernstige wonden te hebben. Werd er iemand met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht, dan leken velen jaloers te zijn. Snijden vormde een eigen leven, een eigen identiteit. Alsof jezelf pijnigen de houvast werd op een hele steile trap. Een evenwicht op een wankel pad.

En op de duur verplaatste de competitie zich ook deels naar het online gebeuren. Zo is er de alom bekende ‘recovery-community’ op Instagram. Waarbij ik me heel vaak vragen stel. Gaat dit om ‘recovery’ of eerder om ‘tonen hoe erg het is’. Zoekt men steun om beter te worden, of wil men laten zien hoe het gesteld is met zichzelf? Ziek zijn mag geen wedstrijd worden. Zelfverwonding zou geen status mogen teweegbrengen.

En de vraag die ik vaak me stel is: wil je wel de ergste zijn? Wil je wel de littekens die ik nu heb? Wil je dat de sporen van deze competitie je hele leven zichtbaar zijn? Is het voor niemand helpend om selfies online te zetten waarop er nog ‘net’ een stukje arm te zijn is. Om toch nog een stukje te tonen aan de wereld. En wil je je identiteit echt beperken tot je eigen vernietiging? Je bent zoveel waardevoller dan dat.

Om terug te komen bij het gesprek op mijn eerste avond in de psychiatrische kliniek: neen, het zijn niet ‘maar’ krasjes. Iedere zelfverwonding is ernstig, ongeacht de ernst van de puur puur fysieke verwondingen. Er is niet iets als ‘lichte zelfbeschadiging’. Want het blijft vreselijk om de drang te voelen die tot snijden leidt. Om te leven met zo’n walging tegenover jezelf.

Wees alsjeblieft niet de ergste. Wees jezelf. Wees lief voor jezelf. Want dat verdien je.

Vinden jullie dat zelfverwonding een competitie lijkt geworden te zijn? Reageer gerust hieronder.

16 en in de isoleercel

Naar aanleiding van dit Nederlandse nieuwsbericht, zal ik proberen mijn ervaringen met isolatie te delen met jullie. Gemakkelijk is dit niet. Enerzijds wil ik niet oordelend overkomen. Anderzijds is het gewoon niet eenvoudig om hierover te schrijven. En daarnaast is er ook nog een soort ‘dit houden we binnenskamers’. Want waarom zou een mens over zo’n zaken schrijven? Moet dit niet binnenskamers blijven? Wel, voor mij niet. Ik heb genoeg tijd in isoleercellen doorgebracht om te weten dat ‘binnenskamers’ niet zo goed werkt voor mij en mijn herstel.

Op mijn zestiende kreeg ik voor het eerst te maken met een isoleercel. Ik verbleef op een gesloten crisisafdeling voor volwassenen, was beginnend psychotisch, maar dat was toen nog niet zo duidelijk. In een crisis werd ik een nacht opgesloten in de isoleercel. En daar werd ik gefixeerd. Met vijf witte riemen werd mijn lichaam aan het bed vastgebonden. Toen ik spartelde omdat ik bang was, werd ik nog wat strakker aan het bed bevestigd. Een hele nacht werd ik door de camera boven de deur in de gaten gehouden. Naast de spierpijn door het amper kunnen bewegen, was het vernederende gevoel ook heel moeilijk. Die ene nacht was voor mij heel ingrijpend, en is me nog lang blijven achtervolgen door middel van hevige nachtmerries. Eigenlijk tot op vandaag.

Maar er kwam meer. Toen ik in een ander ziekenhuis verbleef, werd isolatie heel vaak toegepast. Gelukkig zonder fixatie in dit geval. Toch bleef het ronduit moeilijk voor mij. Ik heb een brilsterkte van -8 en ben dus redelijk zwaar bijziend. En toch mocht ik mijn bril niet dragen tijdens die vele dagen in afzondering. In een isoleercel is er al weinig te zien, maar ik zag helemaal niets. De witte muren waren wazig omdat ik mijn bril niet kreeg. Men was bang dat ik mijn brilglazen zou breken om mezelf te kunnen verwonden. Dit terwijl mijn brilglazen al sinds jaar en dag uit plastic zijn gemaakt.

Ook werd er gedreigd met isolatie. In de zin van: ‘als je jezelf pijn doet, dan moet je naar de isoleercel’. Enzovoort. Men leek te dreigen met isolatie om bepaald gedrag te voorkomen. Maar daar haalde ik geen tools uit om het anders te kunnen doen. Daaruit ‘leerde’ ik eerder dat ik mezelf beter stiekem ging verwonden, want dan werd ik niet opgesloten. Dat voelde veiliger. Ik werd steeds angstiger om naar die kille cel te moeten. Wij noemden het gekscherend weleens ‘het cachot’. En zo voelde het ook.

Nu, tien jaar later, heb ik het vaak moeilijk met hulp zoeken. Uit angst voor witte riemen en een kille cel.


Ik besef dat deze tekst enkel uit mijn ervaringen bestaat. En dat het lijkt op een ongenuanceerde kijk op de zaken. Daarom wil ik er nog iets aan toevoegen.

Ik spreek over tien jaar geleden. Intussen is er veel veranderd, ook al maakt dat mijn ervaringen niet minder moeilijk. Maar het scheelt ergens wel om te weten dat het er nu vaak anders aan toe gaat. Dat dagenlange isolatie niet meer zo frequent wordt toegepast. Dat er meer dialoog is tussen cliënt en hulpverlening, maar ook met de familie van de persoon die opgenomen is. Dat mobiele teams opnames en isolatie meer kunnen voorkomen door middel van op tijd begeleiding bieden bij crisis. En dat er sneller comfort rooms worden ingezet als alternatief voor ‘de kille cel’.

 

 

Mijn palmares als ‘psychiatrisch patiënt’

Ik zit nagelbijtend in de wachtzaal. Rond me liggen een tiental tijdschriften, voornamelijk van het type ‘Flair’ en ‘Libelle’. Ze beloven me allen dat ik de feestdagen zonder gewichtstoename kan doorkomen met hun magisch dieet. Daarnaast ligt er een verdwaalde, eenzame Story waaruit ik leer dat Gert (die van Samson) weer een nieuw lief heeft. Ik adem in. Ik adem uit. Zoveel zenuwen heb ik nog niet veel gevoeld in mijn leven.

De arts komt me uit de wachtzaal halen. Ik volg haar (en haar indrukwekkende stiletto’s) naar het dokterskabinet waar de intake zal plaatsvinden. Ik ga op één van de stoelen zitten, de dokter kijkt me aan.

‘Zo’, zegt ze. ‘Ik heb jouw medisch dossier even gelezen. Je hebt al een aanzienlijk palmares als psychiatrisch patiënt’.

Wat een eer.


Eerst en vooral: ik vind het een hele goede zaak dat medische gegevens worden gedeeld via platformen als CoZo. Dubbele onderzoeken worden vermeden, er is zicht op de voorgeschiedenis van de patiënt. Enzovoort. Het is alleen jammer als het lezen van eerdere verslagen het persoonlijke verhaal van de patiënt in de weg kunnen staan. In de situatie die ik hierboven beschreef, leek de arts al een oordeel te hebben alvorens mij te ontmoeten. Zonder dat ik mijn verhaal had kunnen doen. Dat is pijnlijk. Zeker als verslagen van jaren daarvoor nog zoveel invloed uitoefenen op de arts. Daarom had ik het aangenamer gevonden mocht die arts eerst de tijd nemen om mij te spreken. In plaats van als een detective mijn voorgeschiedenis te gaan uitpluizen.

Daarnaast kwam het erg vernederend over dat mijn rijkgevuld medisch dossier als een ‘palmares’ werd gezien. Tegen een kankerpatiënt zou men zoiets wellicht niet zeggen. Het is niet mijn keuze geweest om op zo’n jonge leeftijd ernstige psychische problemen te krijgen. Het is geen keuze en geen prestatie, het is iets wat me overviel. Iets waarmee ik heel moeilijk om kon gaan. Ik heb hier niet voor gekozen. En de arts in kwestie bedoelde het volgens mij ook niet als ‘grapje’. Haar gezichtsuitdrukking zag er niet uit alsof ze het grappig vond om zoiets te zeggen.

Naast het gevulde dossier, kunnen ook eerder gestelde diagnoses erg veel stof doen opwaaien. Zo heb ik enkele mensen in mijn omgeving met de diagnose ‘borderline’. En zij worden toch wel vaak gestigmatiseerd. Vaak ‘hebben’ zij geen borderline meer. Maar ‘zijn’ zij hun aandoening. En al hebben ze bij wijze van spreken een gebroken been, vaak is het onmiddellijk de schuld van hun borderlinestoornis. Ergens prijs ik mezelf gelukkig dat ik dat etiket niet opgekleefd heb gekregen.

Het is fantastisch dat medische gegevens tegenwoordig gedeeld kunnen worden. Maar jammer genoeg heeft het ook nadelen. Zoals mijn indrukwekkend palmares.

Het gaat niet om wat het is. Het gaat over hoe we ermee omgaan als samenleving. En dat kan beter. 

En hoe gaat het echt met ons?

‘Hoe gaat het’, vraagt ze me. Of hoe ze dat bij ons in West-Vlaanderen vragen: ‘oe ist?’ 

‘Niet zo goed eigenlijk’, zeg ik.

Ik zie de schrik in haar ogen. Ze hapert even in haar woorden, en verandert snel van onderwerp.

De volgende keer dat ze het vroeg, zei ik automatisch: ‘het gaat goed’. Maar eigenlijk was het niet zo. 

En ik zweeg.


Ik vind het fijn dat mensen elkaar vragen hoe het gaat, dat men geïnteresseerd is in de ander. Langs de andere kant merk ik dat ‘hoe gaat het’ ook een standaard vraag is geworden om een gesprek te openen of staande te houden. Men vraagt zo vaak hoe het gaat, maar volgens mij vaak uit een soort automatisme. Het lijkt alsof men geen echt antwoord verwacht. Of tenminste geen ander antwoord dan: ‘goed, en met jou?’

We zijn allen gewoon om ‘goed’ te zeggen, en het aantal zelfdodingen, onder andere hier in West-Vlaanderen, ligt zo ongelooflijk hoog. Voortdoen, alsmaar voortdoen, niet omkijken. En als iemand vraagt hoe het gaat, zeggen we meestal: ‘goed!’ Omdat we niet gewoon zijn een ander antwoord te bedenken. Omdat we het ander antwoord niet uitgesproken krijgen. Omdat we ergens wel weten dat er -vaak- geen ander antwoord verwacht wordt. Omdat we niet willen dat iemand van onderwerp verandert als we zeggen: ‘het gaat niet goed’ of ‘ik heb het moeilijk’.

We zeggen vaak dat we in tijden leven waarin er kan gepraat worden over moeilijkheden. Maar ik merk dat dit nog niet zo eenvoudig is, al gaan we er zeker op vooruit.

Blijf alsjeblieft vragen hoe het gaat. Maar laat ook toe dat mensen zeggen dat het ‘niet goed gaat’. En dat mag. Zo lang we elkaar niet verder uit het oog verliezen.

 

 

‘En jij werkt niet? Maar je ziet er toch goed uit?!

We geraken aan de praat en het gespreksonderwerp gaat richting studies en werk. Ik probeer het te mijden, maak een omweg langs andere thema’s. Maar onvermijdelijk komt de vraag toch: ‘en wat doe jij?’ En dan sta ik daar. Hoe verwoord ik dit in hemelsnaam? 


Heel vaak vraagt men naar wat ik doe in het dagelijkse leven. Het is geen ongewone of onbeleefde vraag, en toch vind ik het vervelend om erop te antwoorden. Oké, ik doe wel veel en heb mijn kunstenaarskaart. Maar natuurlijk ontvang ik nog een uitkering. Rijk zal ik er niet van worden. Maar het is iets.

Ik maak er geen geheim van dat ik psychische problemen en chronische pijn heb, anders zou ik natuurlijk niet begonnen zijn met deze blog. Maar het is nog steeds lastig om te antwoorden op de vraag naar wat ik zoal doe. En als dat ik dan zeg dat ik zware gezondheidsproblemen heb en ‘voorlopig thuis ben’. Dan krijg ik de reactie: ‘maar je ziet er zo gezond uit?!’ En ik begrijp die mensen hun uitspraken wel. Bij iemand die invalide is, stellen ze zich automatisch iemand in een rolstoel voor. Maar zo werkt het niet.

Natuurlijk bedoel ik hiermee niet dat dergelijke vragen niet meer mogen gesteld worden. Want het is helemaal oké om te vragen naar het leven van iemand die je ontmoet of leert kennen. En ik ben zelf ook altijd wel nieuwsgierig naar het leven van de mensen die ik spreek. Het gaat niet over het stellen van de vraag, maar over de reacties die je er vaak als antwoord op krijgt. En daar mag volgens mij wel verandering in komen.

Want als ik dan te horen krijgen dat ik er ‘perfect gezond uit zie’, dan voelt het al snel alsof ik me moet verantwoorden tegenover mijn ziek-zijn. Al is dat ‘je ziet er gezond uit’ nog het minste. Als mensen zeggen dat ik ‘profiteer’ of ‘niet wil werken’ of ‘lui ben’, dan is het pas moeilijk. En dan weet ik ook niet meer wat ik moet antwoorden. Ja, ik weet dat er een fractie van je belastinggeld naar mij gaat. Ik ben ook een mens. En ook al zie ik er gezond uit, ik ben het daarom niet.

Het is heel erg vervelend om je te moeten verantwoorden voor je eigen situatie. Maar ik wil gerust ’s wisselen voor een weekje, zodat men weet hoe het is om in m’n eigen situatie te leven.

‘So, what’s your diag-nonsense’, vroeg Lisa

Mijn eerste diagnose kwam tijdens mijn opname op de kinder- en jeugdpsychiatrie. Ik was vijftien en zou aan een depressie en een posttraumatische stressstoornis lijden. Dit waren labels waar ik me wel in kon vinden. De psychiater van de kinderpsychiatrie was voorzichtig met het stellen van diagnoses. Hij vond ons als minderjarigen nog te jong om een levenslang etiket aan te smeren. Een jaar later verhuisde ik naar de jeugdafdeling van een kliniek in hartje West-Vlaanderen. Daar werd de diagnose psychotische stoornis gesteld. Iets waar ik me ook wel in kon vinden. En uiteindelijk werd er dan een schizoaffectieve stoornis in combinatie met complexe PTSS vastgesteld.

Het probleem was wel dat ik me ging gedragen naar m’n diagnoses. Dit deed ik helemaal niet bewust. Maar ongewild verstopte ik me wel achter de diagnoses.

Daarnaast gingen ze ook voor een stuk mijn identiteit overnemen. Ik was niet meer Julie, die houdt van paarden, kunst, literatuur, mensen, politiek. Mijn aandoeningen vormden mijn identiteit. Ik was Julie en ik was ziek. En zo ging ik voor het grootste deel enkel nog om met mensen met psychische problemen. Ik voelde me er veilig. Ik hoefde me niet te verantwoorden als ik eens iets ‘vreemd’ deed. Ik was tenslotte de Julie met haar labels. En de labels vormden m’n identiteit. Niet m’n passies en ook niet de zaken waar ik goed in ben. Enkel nog het enge wereldje van de psychiatrie. Want dat wereldje geraakte ik langzaam aan gewoon. Ik kende de wereld buiten psychiatrie niet meer zo goed.

Er was ook een periode waarin ik me verzette tegen diagnostiek. Toen ik een jaar of eenentwintig was. Toen wilde ik ‘normaal’ zijn. Geen etiketten, geen psychiatrie, niet afzien. Ik ging alle hulp uit de weg tot het volledig uit de hand liep en ik wel moest opgenomen worden. Dit was een moeilijke periode en voelde een beetje als een tweede puberteit. Terwijl ik nooit ‘normaal’ had kunnen puberen. Want ik verbleef telkens in psychiatrie. Puberen in een psychiatrische kliniek was moeilijk.

Nu ben ik vijfentwintig en heb ik ergens wel ‘vrede’ met mijn labels, ook al is dat echt niet gemakkelijk. Ik ga me er niet meer achter verstoppen en ze voelen ook niet meer als een last. Mij hebben ze de etiketten opgekleefd die echt bij mijn problematiek passen. Maar ik ben meer dan die etiketten, dan die labels. Ze vormen slechts een klein deeltje van mijn identiteit.

Voor de rest ben ik Julie. Ik hou van paarden, kunst, literatuur, mensen. Enzovoort. Ik ben meer dan mijn etiketten.

In ‘Girl, Interrupted’ vraagt Lisa: ‘So, what’s your diag-nonsense?’

Maar echt nonsens zijn het niet voor mij. De labels bevestigen dat ik niet alleen ben in m’n situatie. Dat er een naam is voor mijn problemen. Ook al ga ik niet mijn ganse identiteit tot mijn etiketten herleiden.