100 dagen rookvrij! Dit is hoe ik het deed

In totaal heb ik ‘slechts’ vijf jaar gerookt. Ik zet ‘slechts’ tussen aanhalingstekens, want het waren vijf jaren van pure verslaving. Na enkele sigaretten had ik al het gevoel dat ik niet meer zonder kon. Toen ik na een operatie niet mocht roken, ontsnapte ik uit mijn ziekenhuiskamer. Om dan, nog groggy van de narcose, toch sigaretten te staan roken aan de ingang van het ziekenhuis. Ik kon niet zonder. Roken was het eerste wat ik deed na de misviering van onze trouw. In mijn wit trouwkleed, met die verdomde sigaret in mijn hand. Voor mij was het toen duidelijk dat ik nooit zou kunnen stoppen. Dat dacht ik toch.

Verschillende stoppogingen

Toch wou ik heel graag stoppen, alleen voelde het alsof de nicotine sterker was dan ik. Alleen, maar ook samen met de huisarts, zette ik strategieën in en ging ik mijn eigen rookgedrag analyseren. Ik was een kettingroker. Roken was het eerste wat ik deed bij het opstaan, en het laatste voor ik ging slapen. Zelfs toen ik voor een medische ingreep niet mocht roken, deed ik het toch. Niet omdat ik het wou, het lukte gewoon niet om het niet te doen. Ook al was de kans op volledig herstel veel kleiner als roker. Ik wou wel stoppen, maar verloor telkens de strijd tegen dat rolletje tabak.

Er kwamen verschillende strategieën. We probeerden nicotinepleisters. Ik kreeg er huiduitslag van, dus we gingen over op de muntjes en kauwgom. Het hielp ergens wel, maar leek niet voldoende. Op de één of andere manier ging het niet. Dan probeerden we Champix, wat een grote hulp was. Dankzij Champix (en mijn positieve ingesteldheid) lukte het toch om een aantal maanden niet te roken. De zin in sigaretten was veel minder. En als ik rookte, smaakte de sigaret niet zoals vroeger. Champix is een grote hulp geweest. Maar na een hele stresserende gebeurtenis greep ik een aantal maanden later toch weer naar de sigaret.

moedeloos wordt moedig

Ik rookte terug een tijdje. En ik gaf de hoop langzaam aan op. Ik voelde me een zwakkeling omdat het zelfs met hulpmiddelen niet lukte om te stoppen. Terwijl ik helemaal geen zwakkeling was. Het proberen om te stoppen alleen al vind ik een heel moedig proces. Alleen begon ik steeds lelijker te hoesten. Ik heb gevoelige, licht astmatische longen en heb daardoor vaak een puffer nodig. Maar nu waren het niet meer ‘gewoon gevoelige longen’. Het was een lelijke en rochelende hoest, er was kortademigheid, enzovoort.

Manlief en ik hadden er op een gegeven moment woorden over, over mijn steeds zwakker wordende gezondheid. En in een opwelling gaf ik mijn sigaretten aan hem en zei ik: ‘hier, ik hoef ze niet meer’.

En ik stopte met roken.

En ik deed voort, rookte niet meer. De eerste weken waren een hel, wat snakte ik naar die ‘veilige’ tabak. Maar ik kreeg ook langzaam aan wat meer lucht, kon beter ademen, met minder gereutel in mijn borstkas. Ik hoestte steeds minder vreemde substanties op. Ik rekende uit hoeveel geld ik bespaarde. En op moeilijke momenten kon ik steeds bij mensen terecht, en ik belde ook een paar keer naar Tabakstop om mij uit de nood te helpen. Wat een enorme hulp was. Er waren zoveel mensen die me steunden, en ik werd zo trots op mezelf. Ja, ik kon het. Ja, ik kon zonder sigaret.

Aan mensen die eraan denken om te stoppen met roken, zou ik zeggen: doen! Het zal niet gemakkelijk worden en het is een hele strijd. Maar het is zoveel waard. Je gezondheid, je portefeuille, enzovoort.

Laat je omringen. Je kan het.

Echt wel meer dan kwetsbaar

Bovenaan mijn blog prijkt sinds jaar en dag mijn zelfbedachte leuze: ‘meer dan kwetsbaar’. En dat ik ben echt, ik ben meer dan kwetsbaar. Maar waarom schrijf ik dan enkel over kwetsbaarheid en ziekte? Geen mens die het weet. Misschien onzekerheid? Er zijn heel wat jaren geweest dat mijn leven enkel uit kwetsbaarheid en ziekenhuizen bestond. Maar nu is dat niet meer zo. Dus het wordt tijd om ook over andere zaken te gaan schrijven.

Er zijn heel veel zaken die me interesseren. Kunst, ecologie, fotografie, literatuur, poëzie, geschiedenis, talen, dieren. Enzovoort. Genoeg zaken om over te schrijven, toch?

Daarom gooi ik de blog (deels) over een andere boeg. Dat er een nieuwe lay-out is, hebben jullie vast al gemerkt. Maar ook de inhoud wordt anders. Ik zal meer zijn dan kwetsbaar, over meer schrijven dan kwetsbaarheid.

Want ik ben echt wel méér dan kwetsbaar.

Een andere boeg

Al een hele poos denk ik eraan om deze blog over een andere boeg te gooien. Een ‘andere boeg’ is misschien veel gezegd, want ik zal sowieso blijven schrijven over mijn herstel. Alleen zou ik het zo fijn vinden om er een lifestyle component aan toe te voegen. Al ben ik nog zoekende over wat dat dan zou zijn. Geef me wat tijd en het komt in orde.

Wat zou jij fijn vinden om over te schrijven? Laat gerust je ideeën achter

Liefs

Julie

 

Hoe ik leef zonder rijbewijs

In het dorp waar ik ben opgegroeid zijn er plusminus vierhonderd inwoners. Er is geen bakker, de dichtstbijzijnde bakkerij ligt een achttal kilometer verderop. De fietspaden gaan er langzaam op vooruit, al is er nog veel werk aan. En het openbaar vervoer is quasi onbestaande. Er is keuze tussen doordeweeks vijf bussen per dag. En op zaterdag drie. Op zondag rijdt er geen enkele bus. Uit dit verhaal kan je vast afleiden dat alles -bijna noodgedwongen- met de auto gedaan wordt. Er zijn ook heel weinig mogelijkheden om het anders te doen. En die beperkte mogelijkheden zijn tijdrovend, en vergen veel energie. Dus de keuze voor de auto is begrijpelijk. Niemand fietst graag zestien kilometer voor een brood op zondagochtend.

Als kind was het behalen van een rijbewijs voor mij vanzelfsprekend. Ik had -naar mijn weten- nog nooit een volwassene ontmoet die zijn of haar rijbewijs niet had. Het leek iets wat werd meegeleverd met de cornflakes. Iedereen had het, en de auto was overal. Tot ik ziek werd. Ik startte met medicijnen die mijn reactievermogen trager maken. Ik ben veel verstrooider geworden. En eigenlijk is het niet verantwoord om mij achter het stuur van een wagen te zetten. Dit zeg ik niet uit zelfstigma, maar meer uit zelfkennis. Ik wil een ander niet beladen met mijn gebrekkige concentratie, en veelal ook slaperigheid.

Toen mijn achttiende verjaardag naderde, was het voor mij eigenlijk vanzelfsprekend dat ik mijn rijbewijs niet zou afleggen. Ik dacht er niet meer echt over na en ik piekerde er ook niet echt over. Ik zou niet met de auto rijden, en het was gewoon zo. Ook (beginnend) uit milieuambitie, maar vooral omdat het niet verantwoord was. Toen ik nog in mijn geboortedorp woonde, was dit lastig en reed ik wel vaak met een bromfiets. Maar eens ik naar Torhout en later Brugge verhuisde, besefte ik dat het echt zonder kan. Ik hanteer zoveel mogelijk het STOP-principe. Eerst stappen, dan trappen (fiets), dan openbaar vervoer en dan pas personenwagen. Dus het gebeurt weleens dat manlief me ergens heen brengt, maar ik probeer dit zoveel mogelijk te beperken. Ik stap en trap, en ben dankzij mijn e-bike weer veel mobieler. Maar anderzijds ben ik ook echt een mens van het openbaar vervoer. Ik kan ook enorm vloeken op een koud perron als een trein weer ’s wordt afgelast. Maar anderzijds geniet ik ervan om pakweg een boek te lezen op een trein, terwijl zoveel anderen in de file staan.

Eigenlijk is het hebben van een rijbewijs zelden een gemis. Ik ben dit intussen zo gewoon, en ben ook trots op de keuzes die ik maak om het anders te doen. Een keuze die aanvankelijk eerder noodgedwongen is gemaakt, en dan pas is uitgebreid naar iets waar ik echt achter sta.

Het is mogelijk.

Tien jaar geleden, tien jaar later

Ik ben Julie, ik ben vijftien en ik ben hier sinds vandaag

Op 22 november 2009 werd ik in allerijl naar een nabijgelegen spoeddienst gebracht. Ik was vijftien, zat in het vierde middelbaar, en wou dood. Ik wou al een hele tijd dood, al jaren eigenlijk. Maar op die dag probeerde ik mezelf van het leven te beroven. En ik kwam via de spoeddienst terecht op een gesloten psychiatrische crisisafdeling. Na één nachtje werd ik doorgestuurd naar de kinder- en jeugdpsychiatrie. Opgelucht, teleurgesteld en angstig tegelijkertijd. Wat zou er nu gebeuren? Hoe zou mijn leven er nu uitzien?

Ik herinner me het nog goed. Toen we op de kinderpsychiatrische afdeling aankwamen, moesten we op een deurbel duwen. En dan kwam een verpleegkundige ons binnenlaten. Hij heette ons welkom op de afdeling. Ik had geen idee wat me te wachten stond. Wat doet een mens allemaal tijdens zo’n opname? Daarna hadden we een gesprek met de kinderpsychiater, waar de verpleger in kwestie ook bij was. Van dat gesprek weet ik echter niet meer zoveel. Buiten de woorden: ‘we beginnen met een crisisopname van een week, en dan kunnen we het verblijf verlengen met zes weken’.

Dan kreeg ik een kamer toegewezen. Ik kwam in leefgroep 3 terecht. De groepsgenoten hadden al gegeten, maar ik kreeg op mijn kamer nog een avondmaal. Dan moest ik mezelf voorstellen aan de groep. Naam. Leeftijd. Hoe lang je hier al bent. Ik was zo angstig dat ik de woorden amper over mijn lippen kreeg. ‘Ik ben Julie, ik ben vijftien en ik ben hier sinds vandaag’.

Zes weken zouden achttien weken worden. En de gruwel die ik verwachtte van een kinderpsychiatrische afdeling, was helemaal niet terecht. Ik heb eigenlijk wel mooie momenten gehad gedurende die vier maanden. Ik heb sprankeltjes hoop gevoeld, naast al het verdriet en de angst die overheersten.

Na die ene opname zouden er nog twintig volgen in verschillende ziekenhuizen. Gaande van korte crisisopname tot een maandenlange hospitalisatie. Er zijn veel nare dingen gebeurd. Isoleercellen, spuiten in mijn kont waarvan ik drie dagen sliep. Enzovoort. Gelukkig vormden de nare ervaringen de minderheid van wat er allemaal plaatsvond tijdens die opnames. Ik heb vooral warmte en nabijheid gevoeld. Veiligheid.

Vandaag is het tien jaar geleden, en zijn we tien jaar verder. Ik had nooit gedacht dat ik nog in leven zou zijn. En dat het leven de moeite waard zou worden. Vandaag ben ik getrouwd, ben ik omringd, doe ik wat ik graag doe.

En die eerste opname heeft het zaadje geplant om me langzaam aan beter te voelen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

En hoe gaat het echt met ons?

‘Hoe gaat het’, vraagt ze me. Of hoe ze dat bij ons in West-Vlaanderen vragen: ‘oe ist?’ 

‘Niet zo goed eigenlijk’, zeg ik.

Ik zie de schrik in haar ogen. Ze hapert even in haar woorden, en verandert snel van onderwerp.

De volgende keer dat ze het vroeg, zei ik automatisch: ‘het gaat goed’. Maar eigenlijk was het niet zo. 

En ik zweeg.


Ik vind het fijn dat mensen elkaar vragen hoe het gaat, dat men geïnteresseerd is in de ander. Langs de andere kant merk ik dat ‘hoe gaat het’ ook een standaard vraag is geworden om een gesprek te openen of staande te houden. Men vraagt zo vaak hoe het gaat, maar volgens mij vaak uit een soort automatisme. Het lijkt alsof men geen echt antwoord verwacht. Of tenminste geen ander antwoord dan: ‘goed, en met jou?’

We zijn allen gewoon om ‘goed’ te zeggen, en het aantal zelfdodingen, onder andere hier in West-Vlaanderen, ligt zo ongelooflijk hoog. Voortdoen, alsmaar voortdoen, niet omkijken. En als iemand vraagt hoe het gaat, zeggen we meestal: ‘goed!’ Omdat we niet gewoon zijn een ander antwoord te bedenken. Omdat we het ander antwoord niet uitgesproken krijgen. Omdat we ergens wel weten dat er -vaak- geen ander antwoord verwacht wordt. Omdat we niet willen dat iemand van onderwerp verandert als we zeggen: ‘het gaat niet goed’ of ‘ik heb het moeilijk’.

We zeggen vaak dat we in tijden leven waarin er kan gepraat worden over moeilijkheden. Maar ik merk dat dit nog niet zo eenvoudig is, al gaan we er zeker op vooruit.

Blijf alsjeblieft vragen hoe het gaat. Maar laat ook toe dat mensen zeggen dat het ‘niet goed gaat’. En dat mag. Zo lang we elkaar niet verder uit het oog verliezen.