Voor als je moet zakken

De eerste september komt eraan. Boeken worden naarstig gekaft, schoenen opgeblonken, haren geknipt. Zolang we maar piekfijn zijn voor de traditionele foto, het schoolgaande kroost aan de voordeur. Schooltas klampachtig vasthouden, als een anker. Nu kan het nog. Sommigen van die kinderen aan de voordeur weten exact wat ze willen, waar ze goed in zijn. Helaas zijn er vele anderen, het merendeel misschien. Zij die het allemaal niet zo goed weten. Wat ze willen, wat ze kunnen, waar hun talenten liggen. En dan hanteert men de aloude strategie. ‘We gaan zo hoog mogelijk beginnen, en dan kunnen ze nog altijd zakken’. En dit bezorgt mij, en wellicht vele anderen, een jaarlijkse goeie portie verontwaardiging.

Zelf was ik een puber die het helemaal niet meer wist. Ik begon ‘hoog’ in ASO. Maar door allerlei omstandigheden ging het niet meer. De diagnose depressie werd in het eerste middelbaar al geopperd door de kinderarts en voornamelijk de kinderpsychologe van het ziekenhuis. Dit nadat ik negen weken afwezig was geweest door extreme fysieke en psychische uitputting. Gezien mijn eerste twee examenperiodes goed waren verlopen, kreeg ik een ticketje naar het tweede middelbaar. Een A-attest. Alleen bezorgden die negen weken afwezigheid me een fikse leerachterstand. Ik startte in het tweede middelbaar, maar het ging niet meer. De wiskundige formules en aardrijkskundige feitjes geraakten er niet meer in. En laten we stellen dat zeker vakken als wiskunde moeilijk te volgen zijn als je een basis van negen weken hebt gemist. Dus ik kwakkelde achterop de klas. Er werd gekscherend naar de rode getallen op mijn rapport gekeken. Mijn zelfbeeld zakte met de dag. En toen we op het einde van het tweede jaar een briefje kregen, waar we onze studiekeuze voor het derde jaar moesten invullen. Dan vulde ik ‘TSO toerisme’ in. De klassenraad schreef me een briefje terug met de boodschap: ‘toerisme lijkt ons een goeie keuze’. En zo was het beslist. Ik was hier allesbehalve gelukkig mee. Maar een mens moest iets doen om nog vier jaar middelbare school te overleven. Zonder rode cijfers op mijn rapport. Dus ik startte.

Zelf voelde ik me niet goed bij de overstap naar TSO. Maar heel veel andere jongeren zouden dit wel geweest zijn. Jongeren die dwangmatig in studierichtingen werden geduwd omdat het toch veel ‘hoger’ is. Hoger dan die richtingen waarvoor het kind in kwestie echt interesse toont. Voor grootouders is het leuk om tegen vrienden te zeggen dat hun dochter toch wel in de ‘Latijnse’ zit. Terwijl het kind misschien liever met z’n handen werkt.

Zakken is niet zakken. Noem het stijgen. Stijgen in zelfvertrouwen. Stijgen in kunnen, stijgen in waar de jongere goed in is. Stijgen als mens. En die mensen hebben we nodig. Passie, vakkennis, zelfvertrouwen. Een toekomst.  

Zelfverwonding in psychiatrie. Zou jij het verbieden of niet?

Bij mijn eerste opname, op een afdeling voor kinder- en jeugdpsychiatrie, waren er wel enkele mensen uit mijn leegroep die zichzelf verwondden. Meestal waren de verwondingen niet in die mate ernstig dat er een arts bij moest komen. Zoals jullie weten ben ik van mening dat de ernst van de puur fysieke verwondingen niet altijd iets zegt over de innerlijke pijn. Er zijn zoveel meer factoren. Zelf ben ik me op de duur ernstiger gaan verwonden omdat ik steeds meer ‘wond’ nodig had om de stemmen te doen zwijgen.

Op de afdeling van mijn eerste opname was er geen verbod op zelfverwonding. Maar er werd ook niet in groep over gepraat. Er was altijd wel een opvoeder of verpleegkundige bij ons in de buurt, zodat we geen destructieve gesprekken konden hebben met elkaar. Wij waren niet op de hoogte van elkaars fysieke verwondingen en kwetsuren. Waardoor de competitie ook niet echt heerste. Het behandelend team stond natuurlijk niet te juichen bij zelfverwonding. Maar er kon wel over gepraat worden, er waren geen sancties of dergelijke.

Dan kwam ik terecht op de jeugdafdeling van een psychiatrische kliniek. Waar mijn eerste opnames zo veilig aanvoelden, kwam ik nu in een duiventil terecht. Buiten de therapie-uren was er amper opvolging of begeleiding. Waardoor we als jongeren vaak een hele avond samen zaten te praten. Tips en tricks omtrent zelfverwonding werden al snel ’s gedeeld met elkaar. Dit terwijl de verpleegkundigen veilig in hun welbekende ‘aquarium’ zaten te werken. Tijdens de intake zei de kinderpsychiater dat ‘er niet aan zelfverwonding werd gedaan in de kliniek’. Maar op de eerste avond merkte ik al dat dit onzin was. Zeker nadat medepatiënten vrijwel onmiddellijk vroegen of ze mijn armen mochten zien. Heel veel jongeren begonnen zich te verwonden in de kliniek. En als ze dit al deden, dan werd de zelfverwonding vaak veel ernstiger.

Ook hier werden heel weinig maatregelen getroffen. Als je het te bont maakte, zette het team je onder ‘verhoogd toezicht’, waarbij je extra in de gaten werd gehouden. Als deze maatregel afliep, kon je gewoon weer je eigen gang gaan. Het werd vaak een kat- en muisspelletje. Om toch te kunnen snijden. Gesterkt met de vele tips van anderen. Maar er was amper opvolging.

Dan overkwam me het tegenovergestelde. Als jongvolwassene kwam ik op meerdere paaz-afdelingen* terecht, waar zelfverwonding niet getolereerd werd. Je kreeg één kans. Maar als er voor de tweede keer zelfverwonding plaatsvond, dan werd je vriendelijk maar kordaat aan de deur gezet. Ergens probeer ik deze maatregel te begrijpen, en begrijp ik ze ook. Misschien moet er toch een rem zijn, kan het niet blijven duren. Maar als je net als ik toen al zo’n grillige voorgeschiedenis hebt op vlak van jezelf pijn doen, dan is het toch niet zo eenvoudig om tijdens een korte opname in één keer mee op te houden. En zo geschiedde. Nadat ik één keer werd weggestuurd bedacht ik een nieuwe tactiek. Ik zweeg er gewoon over. Ik verwondde mezelf op plekken waar niemand iets te zoeken had. En zo kon ik de opname voortzetten, werd ik niet buiten gezet. Dit was gevaarlijk want de wonden werden natuurlijk niet door een arts gezien. Maar ik kon voortdoen. Niemand hoefde dit te weten.

En nu komen we op de vraag die ik wil (proberen) te beantwoorden met deze tekst. Wat moet er gebeuren? Moet zelfverwonding nu verboden worden of niet?

Gezien ik allerlei soorten ervaringen heb hiermee, vind ik het niet zo eenvoudig om hier een eenduidig antwoord op te geven. De duiventil is in ieder geval toxisch. Jonge meisjes en vrouwen (of jongens en mannen, of tussenin) die elkaar bijna letterlijk leren hoe je jezelf het zwaarst kan toetakelen. En ten gevolge ook jonge mensen die meer beschadigd ontslagen worden, dan ze waren bij aankomst in de kliniek. Dit kan echt niet de bedoeling zijn. Anderzijds de meer Spartaanse praktijken. Een verbod op zelfverwonding. Een joker, de tweede keer word je buitengezet. Was voor mij ook niet ideaal gezien ik een dubbelleven ging leiden.

En om tot de conclusie te komen. Eigenlijk weet ik het niet. Eigenlijk weet ik niet wat werkt. Ik weet wat niet werkt, maar niet goed wat wel gedaan ‘moet’ worden. Het is voor mij nog steeds niet duidelijk. Hoe men best reageert.

En daarom vroeg ik me af wat jullie vinden?

Zou zelfverwonding verboden moeten worden of niet?

Deel het gerust in de reacties.

De schade na manie

In mijn manische en hypomane periodes kende ik geen grenzen. Quasi elke week startte ik een nieuw en -volgens mij- geniaal project op, waarmee ik de wereld desastreus zou veranderen. Ik zou de mensheid iets doen inzien, onze planeet anders maken. Ik dacht uitverkoren te zijn. Dus ik startte facebookpagina’s op, maakte logo’s en tekstjes als geen ander. Ik mailde mijn hele adresboek, inclusief oud-leerkrachten, lokale politici en anderen, omtrent een sprankelend project over seksualiteit, dat ik slechts tien minuten voordien had bedacht. Ook begon ik mijn eigen opvang voor verwaarloosde en mishandelde hamsters. Ik was een wervelwind, niet te stoppen. En uiteindelijk richtte ik veel schade aan. Eens mijn gemoed gezondere vormen begon aan te nemen, zag ik welk slagveld mijn storm aangericht had. Ik was manisch geweest.

Na de manie was er veel schaamte. Ik was tenslotte een ‘andere Julie’, ook al bleef ik wel mezelf. Ik voelde dat ik moest bewijzen dat ik anders was dan de persoon die zich de maanden daarvoor zo gek gedroeg. Zo druk. Zo onuitputtelijk. Zo overdreven enthousiast. Zo impulsief. Want wat moest ik nu doen? Hoe moest ik puin ruimen? En hoe moest ik anderen ervan zien te overtuigen dat ik niet de manie ben. Dat ik Julie ben. Dat ik nu wel rustig kan zijn. Dat ik nu wel nadenk voor ik iets onderneem. Dat ik niet zomaar een hoop hamsters in huis haal. Of tientallen mensen mail omtrent net bedachte en toch niet zo geniale projecten.

Het is moeilijk uit te leggen hoe het voelt om na een manische en/of psychotische periode terug contact op te nemen met mensen die me enkel tijdens de voorafgaande crisis hebben gekend. Mensen die me enkel als ‘manische en psychotische Julie’ kennen, niet als de stabiele, rustige Julie van daarvoor. Vaak schaam ik me dan echt voor hoe ik me gedroeg. Dan pieker ik ook over het niet meer serieus genomen te worden. Want ik ben toch die gekke jonge vrouw die denkt dat ze president van Amerika zal worden? Hoe kan die gekkin nu X of Y doen? Terwijl ik me er intussen helemaal van bewust ben dat president van Amerika worden een beetje hoog gegrepen is. En dat ik helemaal niet naar Amerika wil. De schade in het landschap is soms gigantisch. En ik weet niet altijd hoe het te herstellen. Ook aankopen die ik heb gedaan, dure spullen die ik na de manie nooit meer heb gebruikt. Zoals een tablet die stof ligt te vergaren.

Het is niet altijd eenvoudig om te leven met de angst dat dit weer zal gebeuren. Dat de euforie en volledige grenzeloosheid me opnieuw zal overvallen, ook al gaat het nu wel goed. Ik heb de ECT gehad. Ik neem m’n lithium en andere medicijnen. Het gaat goed.

Maar de angst blijft sluimeren. En ik hoop zo dat ze nooit in werkelijkheid zal veranderen.

Hoe elektroshocks mijn leven veranderden

‘Geen van mijn twee vooroordelen klopte’

Toen men mij op een warme zomerdag voorstelde om elektroconvulsietherapie (ECT) te proberen, schrok ik wel even. Ik had een verkeerd beeld van deze behandeling, dacht onmiddellijk aan de film ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’ en de bijhorende gruwelijke beelden. Daarnaast dacht ik ook dat ECT een eindstation was. Dat je ‘uitbehandeld’ moest zijn om voor deze therapie in aanmerking te komen. Geen van mijn twee vooroordelen klopte.

Ik merkte er niets van

ECT is tegenwoordig een behandelmethode die verre van gruwelijk of pijnlijk is. De elektrische stroomstoot wordt onder een korte narcose toegediend. En je krijgt ook een spierontspannend middel ingespoten dat er voor zorgt dat je geen spierpijn hebt achteraf. Eigenlijk merkte ik er helemaal niets van. Het enige wat ik voelde was een lichte hoofdpijn de uren na de behandeling. En dat mijn geheugen het liet afweten, maar dit heeft zich toch deels hersteld. Ik blijf wel vergeetachtiger dan vroeger.

ECT als eindstation

Ook dat ECT een ‘eindstation’ is, klopt helemaal niet. Eigenlijk houd ik helemaal niet van de term ‘uitbehandeld’, ik ben ervan overtuigd dat progressie in veel situaties mogelijk is. Voor mij was ECT niet de laatste halte in de weg naar mijn herstel. Het was gewoon een overstap naar een andere trein, een trein die zich vlotter over de rails voortbeweegt, niet ontspoort. Ik zag de ECT als een nieuwe start.

ECT als derde hoek

Ik heb mijn weg naar herstel lang als een driehoek uitgebeeld. Maar uiteindelijk besefte ik dat er een hoek ontbrak aan de meetkundige vorm die ik mijn herstelproces gegeven had. Psychotherapie en medicatie vormden twee hoekstenen. En uiteindelijk merkte ik dat het met ECT als derde hoek, toch completer was.

Ik werd terug Julie

Ik heb in totaal negentien ECT-behandelingen gekregen. Eerst intensief: 2x per week. Daarna volgde een onderhoudsbehandeling met één behandeling om de paar weken. Vanaf de derde à vierde behandeling voelde ik verandering. Mijn stemming was niet meer zo eufoor als voor de ECT, toen ik echt hypomaan was. Ik dacht niet meer dat ik alle zeeën stuk voor stuk plasticvrij ging maken, of president van Amerika ging worden. Ik werd terug Julie. Gewoon Julie. Iemand met kwetsbaarheden, maar met minstens evenveel mogelijkheden.

Voeling met de realiteit

En vanaf de vijfde behandeling steeg het positief effect gradueel. Wanen en hallucinaties verdwenen naar de achtergrond, ik zag niet meer overal felgekleurde vlinders vliegen, ik kreeg terug voeling met de realiteit. Die terugkeer naar de realiteit was best wel pijnlijk. Het voelde alsof mijn hypomane episode mij dingen deed vergeten, herinneringen aan het langdurig vroegkinderlijk trauma dat ik heb meegemaakt. Zaken die ik eigenlijk liever vergeet maar die zich als beschonken matrozen telkens opnieuw aan me opdringen.

Een nieuw evenwicht

Toch deed het me goed een nieuw evenwicht te vinden. Mijn stemming was niet langer een ontregelde thermostaat, die het huis of op 30 graden verwarmde, of helemaal liet afkoelen. Mijn gemoed was geen -2 of 12 meer, mocht ik het scoren op tien. Ik vond stabiliteit in mijn stemming en valse waarnemingen.

Voor mij is ECT een grote hulp geweest. Jarenlang had ik een vertekend beeld van wat deze therapie juist inhoudt, en was ik te angstig om het te proberen. Nu denk ik alleen maar: ‘had ik deze behandeling maar vroeger een kans gegeven. Had ik maar niet zo lang gewacht.’