Wat als het voelt alsof de hulpverlener afgestompt is?

Doorheen de tien jaar sinds mijn allereerste contact met psychiatrie, heb ik talloze psychiaters en andere hulpverleners ontmoet. Soms op spoedgevallendiensten, een eenmalig dringend consult, vaak na het oplappen van de schade ontstaan door zelfverwondend gedrag. Maar vaak ook voor jarenlange begeleiding en opvolging, waarin langzaam aan een band ontstond. Doorheen die tien jaar heb ik telkens geprobeerd om niet te snel te oordelen, en de dialoog telkens aan te gaan. Iedere keer te blijven overleggen tot we iets vonden wat voor beiden aanvaardbaar was. Toch merkte ik dat bepaalde stramienen soms terugkwamen in deze gesprekken. Patronen waarvan ik altijd al vond dat ze niet bepaald helpend waren voor mij als cliënt. Gelukkig vormde dit een klein aandeel van alle contacten met hulpverleners die ik heb gekend doorheen die tien jaar.

Wat me enorm raakt is de ‘afgestompte hulpverlener’. De zorgverlener die niet meer geraakt lijkt te worden door het verhaal van de cliënt. Volgens mij is dat een groot risico verbonden aan hulpverlener worden. Afgevlakt raken. Het verhaal klasseren in de ellenlange lijst aan levensverhalen die de revue al gepasseerd zijn in de praktijk of het ziekenhuis. Het lijden van de cliënt vrijwel onmiddellijk in een hokje gieten. ‘O, die bepaalde symptomen zijn er, dus het zal wel stoornis X of Y zijn’. Zo werden er in mijn omgeving bij jonge, zichzelf ontwikkelende, mensen diagnoses gesteld die voor het leven zijn. Ook bij mij. Als minderjarige had ik echt (nog) geen nood aan een levenslang label, ik was nog volop in ontwikkeling. Ik had een hulpverlener nodig die luisterde, die me hielp de lijdensdruk te verlichten zonder me daarom onmiddellijk te classificeren.

Men hoort altijd dat: ‘hulpverleners het lijden van hun cliënten niet naar huis mogen meenemen’. En dat is ook zo. Maar ergens is het volgens mij ook heel belangrijk om nog enigszins geraakt te worden door het verhaal van de persoon die voor je zit. Als het je niets meer doet, op geen enkele manier meer raakt, dan ben je volgens mij niet echt goed bezig.

Met mensen werken is voor mij nog altijd geraakt worden, zonder het daarom mee te nemen naar huis of de slaap ervoor te laten. Uitersten zijn nooit ideaal. Maar wat ik doorheen die tien jaar af en toe gemist heb is meer zijn dan de zoveelste patiënt met verhaal X of Y.

Al vormde dit gelukkig de overgrote minderheid van alle contacten met hulpverleners die ik doorheen de jaren heb gekend.

‘Je hebt tenminste geen kanker’ en andere opmerkingen die helemaal niet helpend zijn

Opmerkingen van anderen vind ik één van de moeilijkste thema’s horend bij m’n psychische problemen. Doorheen de tien jaar sinds m’n eerste psychiatrische opname kreeg ik echt met heel veel oneliners te maken. Alleen waren ze, hoe goedbedoeld ook, vaak erg schadelijk voor me. Als ik na meer dan twintig opnames in psychiatrie zaken te horen krijg als: ‘Je hebt tenminste geen kanker’ en ‘wees blij dat het maar iets psychisch is’. Dan kraak ik echt als mens.

Het liefst van al had ik gewoon ‘niets’ gehad. Was ik gezond geweest. Had ik m’n studies kunnen afwerken en was ik nu in het werkveld actief. Enzovoort. Het liefst van al was ik gezond. Hoe dankbaar ik ook ben naar onder andere mijn echtgenoot om me zo goed bij te staan. Toch was ik liever gewoon ‘gezond’ geweest. Ook al is de grens tussen ‘psychisch ziek’ en ‘gezond’ volgens mij flinterdun en moeilijk te bepalen. Want vanaf wanneer is iemand dan ‘ziek’ volgens psychiatrische normen? En waar ligt die grens?

Hoe dan ook. Ik kan een lange lijst maken met alle niet-helpende oneliners die ik te horen heb gekregen doorheen de jaren. Maar daar hebben jullie weinig aan. Het komt erop neer dat er vaak en veel onbegrip is. Dat psychisch lijden nog vaak wordt gezien als aanstellerij en iets dat minder ernstig is dan lichamelijk ziek zijn. En dit terwijl je geen appels met peren kan vergelijken. Iedere aandoening is anders en er is niet zoiets als: ‘mijn ziekte is ernstiger dan die van jou’ en ‘ik zie meer af dan jij’. Je kunt verschillende soorten leed niet met elkaar gaan vergelijken.

Neen, ik heb tenminste geen kanker. En ja, mijn probleem situeert zich grotendeels in mijn hersenen. Maar het hoeft daarom niet weggecijferd worden. Of afgedaan worden als iets dat minder ernstig is dan een fysieke ziekte.

Het voordeel aan psychisch leed is dat het grotendeels onzichtbaar is. En het nadeel aan psychisch leed is ook dat het grotendeels onzichtbaar is. Soms zou ik willen dat men het ziet, dat mensen met een psychiatrische aandoening zich niet telkens hoeven te verantwoorden als het bijvoorbeeld om ‘iets niet kunnen’ gaat. Als een afspraakje wordt afgezegd of als een taak beter doorgegeven wordt. Als het even niet lukt of in andere situaties.

We hebben inderdaad geen kanker. Maar het is vaak best wel afzien om te leven met een psychische aandoening. En een oordeel is zeker niet helpend.

Thinking is difficult, that’s why most people judge.

– CG Jung

‘Ik ben tegen medicatie’ en andere gezegden. Waarom psychofarmaca geen rommel zijn

Op mijn vijftiende nam ik mijn eerste psychofarmacon. Sindsdien heb ik iedere dag medicatie genomen. Soms voelt het vreemd dat ik gedurende tien jaar elke dag medicijnen heb ingenomen. En als mijn stemming heel erg hoog zit, dan voelt het ook alsof ik die pillen helemaal niet nodig heb. Dan zeg ik zaken tegen mijn omgeving als: ‘jullie proberen me te vergiftigen met die pillen’ en ‘jullie zijn ziek, niet ik.’

Soms ontmoet ik ook mensen die helemaal tegen het gebruik van psychofarmaca zijn, ook al hebben ze vaak zelf totaal geen ervaring met wat geneesmiddelen voor psychische problemen juist inhouden. Zo heb ik als puber iemand gekend die me heel vaak zei dat: ‘die pillen nutteloos zijn’ of ‘dat die pillen vergif zijn’. Dat was vaak moeilijk om te horen omdat ik toen nog erg beïnvloedbaar was. Ik liet me erg sturen door meningen van mensen uit mijn omgeving en soms stopte ik ook abrupt met mijn medicatie omdat men zei dat het ‘niet goed voor me was’ of omdat ik dacht dat ik ‘die medicijnen helemaal niet nodig had’. Ik was jong en beïnvloedbaar en liet me volledig leiden door wat anderen me vertelden.

Op dit moment hoor ik nog soms mensen zeggen dat: ‘al die medicatie niet goed is voor me’. Maar om heel eerlijk te zijn heb ik geen draaglijk leven zonder medicijnen. Ik heb meermaals geprobeerd ze af te bouwen en iedere keer kwam ik in psychose en/of depressie of (hypo)manie terecht. Wat tot hele gevaarlijke en ook ondraaglijke situaties leidde. Ik heb hele risicovolle dingen gedaan toen ik medicijnen probeerde af te bouwen of stop te zetten. Ik heb er intussen deels vrede mee dat ik medicijnen nodig heb. En dat de kans erin zit dat ik levenslang pillen zal slikken. Ook al is dat nu lang nog niet zeker.

Op vlak van medicatie ben ik voorstander van: ‘zoveel als nodig, maar zo weinig mogelijk’. Als het nodig is, dan is het zo. Maar wel zo spaarzaam en doordacht mogelijk.

Ik vind het spijtig dat zinnen als: ‘antidepressiva zijn rommel’ of ‘antipsychotica maken je enkel maar dik’ vaak uit monden komen van mensen die veelal zelden met zaken als depressie of psychose in aanraking zijn gekomen. Het is volgens mij jammer dat men door oneliners afgeschrikt wordt om medicijnen te nemen. Ook al vind ik ook dat het soms wel heel snel wordt voorgeschreven en dat er vaak ook andere behandelopties zonder medicatie zijn. Behandelopties die vaak heel erg prijzig zijn zoals de ambulante psychotherapie die bij ons in België amper wordt terugbetaald door de ziekteverzekering.

Ergens heb ik er vrede mee. Waar ik mijn medicatie soms nog met weerstand neem, heb ik er me grotendeels bij neergelegd dat mijn hersenen stukken beter functioneren met het dagelijks innemen van stemmingsstabilisatoren en antipsychotica. Dat ik veel minder afzie dankzij die dagelijkse pillen. Dat ik beter functioneer.

En ook al zijn psychofarmaca lang niet de enige oplossing, toch zijn ze wel een heel belangrijk element in mijn weg naar herstel.

Spannend, een eerste blogbericht

Een eerste blogbericht, spannend. Maar hier gaan we.

Mijn naam is Julie, ik ben vijfentwintig jaar, gehuwd, en woon in het wondermooie Brugge. Zo’n tien jaar lang verwondde ik mezelf. Dit door een samengaan van complex trauma en een psychotische kwetsbaarheid. Dit alles kwam tot uiting toen ik een puber was. Ik verwondde mezelf voor het eerst toen ik dertien was. En op mijn vijftiende werd ik voor het eerst opgenomen in een kinderpsychiatrische afdeling. Vanaf toen ging mijn leven er volledig anders uitzien.

Opname na opname volgde. De één al wat meer helpend dan de ander. Na heel wat psychotische opstoten en posttraumatische stress kreeg ik mijn leven uiteindelijk langzaam aan terug op de rails. Toch werd niets nog zoals het is geweest. En gelukkig maar. Ik zou nooit meer willen worden zoals ik voor mijn vijftiende, voor mijn eerste opname, was. Ik ben zo blij dat ik zoveel ben gegroeid, en een eigen identiteit kon gaan uitbouwen. Een identiteit die meer is dan trauma, meer dan psychose, meer dan zelfverwonding.

Toch blijf ik een kwetsbaarheid hebben. En toch moet ik mijn grenzen nog goed bewaken, zodat ik mezelf niet voorbijloop. Zeker omdat er op mijn negentiende ook clusterhoofdpijn gediagnosticeerd is, wat het extra complex maakt. Maar ik ga verder met mijn leven, elke dag opnieuw. Ik probeer te leven met mijn kwetsbaarheid, en vooral met mijn kracht.

Ik ben meer dan psychose, meer dan trauma, meer dan de zelfverwonding en littekens. En dit laat ik jullie graag zien via deze blog.

Welkom!