Ode aan de verzorgende

Het is vrijdagochtend. Gisteren ben ik in samenspraak met de neuroloog op spoed geweest wegens een hevige episode van clusterhoofdpijn. Zoals je weet kan een bezoek aan de spoeddienst heel wat uren in beslag nemen. Zeker omdat er veel neurologen afwezig waren. Daarnaast is er van alles aan de gang en heb ik amper de courage gehad om te ademen alleen. De hoge dosis cortisone houdt me de hele nacht wakker en het huishouden ligt er als een mesthoop bij. En dan krijg ik telefoon met de boodschap: ‘Julie, Familiehulp hier, kan jij deze voormiddag thuiszorg gebruiken?

En ik verzuchtte: ‘ja, graag’.

Een uur later was de verzorgende hier al. Een redder in nood. Het huis was een ware mesthoop, en daar schaamde ik me voor. Maar de verzorgende zei: ‘je hoeft je hiervoor niet te schamen, wij zijn er om je te helpen’. En samen verdeelden we de werken en gingen we aan de slag. Een uurtje later was het huis al onherkenbaar.

Verzorgenden verdienen een medaille. Hun hulp en zorg maakt een wereld van verschil voor velen, ook voor mij. De hulp, het gezelschap, de nabijheid. Thuiszorg is veel meer dan de was en plas doen. Het is zorg dragen voor de meest kwetsbare mensen. Het is ‘er zijn’. En niets is hen teveel. Ze zijn er, ook als het huis er gênant rommelig bij ligt.

Ik ben dankbaar. Voor de zorg, voor ‘er zijn’. Ik ben zo dankbaar.

 

 

Lees dit voor je jezelf verwondt

Je aarzelt nog even. In je handen heb je een voorwerp waarmee je jezelf wil verwonden. Ook al weet je eigenlijk niet zo goed of dit effectief zal helpen om je hoofd rustiger te maken. Je voelt angst, oneindig veel angst. Toch maak je die eerste kras. En vanaf dan lijkt de weg eindeloos. 


Ik was dertien toen ik mezelf voor het eerst verwondde. Eigenlijk wist ik toen niet dat zoveel andere jongeren dit ook deden. Ik voelde mij alleen op de wereld. Daarom verborg ik de krassen ook heel lang, tot ze op een dag ontdekt werden. En dan werd ik ‘het meisje dat zichzelf sneed’, alsof ik nooit meer iemand anders zou worden.

In het begin maakte ik ‘oppervlakkige’ krassen. Hoewel oppervlakkige zelfverwonding voor mij niet bestaat. Het is altijd ernstig, de drang om jezelf te verwonden alleen al, is ernstig. Er bestaat geen ‘lichte’ of ‘oppervlakkige’ zelfverwonding.

Alleen had ik steeds een hogere dosis pijn nodig om het monster in mijn hoofd stil te krijgen. Het gedrocht in mijn hoofd beval me steeds dieper te snijden en te branden. En er leek geen weg terug. Ik ging steeds verder. Tot er drie operaties nodig waren om brandwonden te dichtten. Wat me daarnaast ook chronische zenuwpijn opleverde. Een heel ellendig gevolg van mijn eigen destructie. En een gevolg dat me voor altijd aan mijn zelfverwonding zal doen herinneren. Het monster in mijn hoofd werd het monster in mijn linkerarm.

Eigenlijk ben ik het pas achteraf ‘erg’ gaan vinden. In de periode waarin ik mezelf pijn deed, kon het niet ‘erg’ genoeg. De schade was nooit groot genoeg voor mij. Zelfs na een operatie dacht ik vaak: ‘het valt wel mee’, of sprak ik van ‘een wondje’. Ik zag de realiteit niet meer. Ik zag niet dat ik doodging door mijn eigen gedrag. Dat ik mezelf om zeep hielp. Het moest altijd erger. De zelfhaat was nooit groot genoeg.

En dan kwam het ‘leren leven met’, toen ik mezelf eindelijk niet meer verwondde. De zenuwpijn. De littekens die mijn, vroeger zo gave huid, op een reptiel doen lijken. Het zal nooit weggaan, en ik zal levenslang met de gevolgen van zelfverwonding leven. De gevolgen van die ene kras die tot zo’n ellende leidde.

Ik wou dat ik mezelf nooit verwond had. Eerlijk waar. Ik wou dat ik er nooit mee begonnen was. Want nu is het ‘voor altijd’. En het zal nooit meer weggaan.

 

 

Wanneer snijden een wedstrijd wordt

Het was mijn eerste avond op de jeugdafdeling van een psychiatrische kliniek. Ik was immens zenuwachtig en liep er wat verloren bij. Uiteindelijk geraakte ik aan de praat met een mooi, roodharig meisje. Ze vroeg niet wie ik ben, maar wel wat de reden van mijn opname was. ‘Waarom ben je hier’ zou een vraag worden die mij nog vaak gesteld wordt.

Ik noemde kort de redenen van mijn opname, ietwat beschaamd. En toen ik het woord ‘snijden’ uitsprak, veranderde haar mimiek. Ze vroeg onmiddellijk of ik mijn armen kon laten zien. Ik vond dit een hele ongepaste vraag. Maar ik was zestien, een beïnvloedbare puber. Dus ik schoof mijn mouwen wat omhoog. Het voelde alsof ik naakt was, zonder de lange mouwen waaronder ik mijn geheimen schuilhield. 

Onmiddellijk reageerde de groepsgenoot met: ‘dat zijn maar krasjes, bij mij is het veel erger’. Toen kwam bij mij de indruk dat zelfbeschadiging een competitie werd. En dat gevoel zou jaar na jaar groeien. 

In de klinieken waar ik verbleef, merkte ik vaak dat vrijwel iedereen ‘de ergste’ wilde zijn. En zo was het, naast onder andere eetstoornissen, ook op vlak van zelfverwonding. Het leek alsof velen zich wilden bewijzen door ‘de ergste’ te zijn en de meest ernstige wonden te hebben. Werd er iemand met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht, dan leken velen jaloers te zijn. Snijden vormde een eigen leven, een eigen identiteit. Alsof jezelf pijnigen de houvast werd op een hele steile trap. Een evenwicht op een wankel pad.

En op de duur verplaatste de competitie zich ook deels naar het online gebeuren. Zo is er de alom bekende ‘recovery-community’ op Instagram. Waarbij ik me heel vaak vragen stel. Gaat dit om ‘recovery’ of eerder om ‘tonen hoe erg het is’. Zoekt men steun om beter te worden, of wil men laten zien hoe het gesteld is met zichzelf? Ziek zijn mag geen wedstrijd worden. Zelfverwonding zou geen status mogen teweegbrengen.

En de vraag die ik vaak me stel is: wil je wel de ergste zijn? Wil je wel de littekens die ik nu heb? Wil je dat de sporen van deze competitie je hele leven zichtbaar zijn? Is het voor niemand helpend om selfies online te zetten waarop er nog ‘net’ een stukje arm te zijn is. Om toch nog een stukje te tonen aan de wereld. En wil je je identiteit echt beperken tot je eigen vernietiging? Je bent zoveel waardevoller dan dat.

Om terug te komen bij het gesprek op mijn eerste avond in de psychiatrische kliniek: neen, het zijn niet ‘maar’ krasjes. Iedere zelfverwonding is ernstig, ongeacht de ernst van de puur puur fysieke verwondingen. Er is niet iets als ‘lichte zelfbeschadiging’. Want het blijft vreselijk om de drang te voelen die tot snijden leidt. Om te leven met zo’n walging tegenover jezelf.

Wees alsjeblieft niet de ergste. Wees jezelf. Wees lief voor jezelf. Want dat verdien je.

Vinden jullie dat zelfverwonding een competitie lijkt geworden te zijn? Reageer gerust hieronder.

16 en in de isoleercel

Naar aanleiding van dit Nederlandse nieuwsbericht, zal ik proberen mijn ervaringen met isolatie te delen met jullie. Gemakkelijk is dit niet. Enerzijds wil ik niet oordelend overkomen. Anderzijds is het gewoon niet eenvoudig om hierover te schrijven. En daarnaast is er ook nog een soort ‘dit houden we binnenskamers’. Want waarom zou een mens over zo’n zaken schrijven? Moet dit niet binnenskamers blijven? Wel, voor mij niet. Ik heb genoeg tijd in isoleercellen doorgebracht om te weten dat ‘binnenskamers’ niet zo goed werkt voor mij en mijn herstel.

Op mijn zestiende kreeg ik voor het eerst te maken met een isoleercel. Ik verbleef op een gesloten crisisafdeling voor volwassenen, was beginnend psychotisch, maar dat was toen nog niet zo duidelijk. In een crisis werd ik een nacht opgesloten in de isoleercel. En daar werd ik gefixeerd. Met vijf witte riemen werd mijn lichaam aan het bed vastgebonden. Toen ik spartelde omdat ik bang was, werd ik nog wat strakker aan het bed bevestigd. Een hele nacht werd ik door de camera boven de deur in de gaten gehouden. Naast de spierpijn door het amper kunnen bewegen, was het vernederende gevoel ook heel moeilijk. Die ene nacht was voor mij heel ingrijpend, en is me nog lang blijven achtervolgen door middel van hevige nachtmerries. Eigenlijk tot op vandaag.

Maar er kwam meer. Toen ik in een ander ziekenhuis verbleef, werd isolatie heel vaak toegepast. Gelukkig zonder fixatie in dit geval. Toch bleef het ronduit moeilijk voor mij. Ik heb een brilsterkte van -8 en ben dus redelijk zwaar bijziend. En toch mocht ik mijn bril niet dragen tijdens die vele dagen in afzondering. In een isoleercel is er al weinig te zien, maar ik zag helemaal niets. De witte muren waren wazig omdat ik mijn bril niet kreeg. Men was bang dat ik mijn brilglazen zou breken om mezelf te kunnen verwonden. Dit terwijl mijn brilglazen al sinds jaar en dag uit plastic zijn gemaakt.

Ook werd er gedreigd met isolatie. In de zin van: ‘als je jezelf pijn doet, dan moet je naar de isoleercel’. Enzovoort. Men leek te dreigen met isolatie om bepaald gedrag te voorkomen. Maar daar haalde ik geen tools uit om het anders te kunnen doen. Daaruit ‘leerde’ ik eerder dat ik mezelf beter stiekem ging verwonden, want dan werd ik niet opgesloten. Dat voelde veiliger. Ik werd steeds angstiger om naar die kille cel te moeten. Wij noemden het gekscherend weleens ‘het cachot’. En zo voelde het ook.

Nu, tien jaar later, heb ik het vaak moeilijk met hulp zoeken. Uit angst voor witte riemen en een kille cel.


Ik besef dat deze tekst enkel uit mijn ervaringen bestaat. En dat het lijkt op een ongenuanceerde kijk op de zaken. Daarom wil ik er nog iets aan toevoegen.

Ik spreek over tien jaar geleden. Intussen is er veel veranderd, ook al maakt dat mijn ervaringen niet minder moeilijk. Maar het scheelt ergens wel om te weten dat het er nu vaak anders aan toe gaat. Dat dagenlange isolatie niet meer zo frequent wordt toegepast. Dat er meer dialoog is tussen cliënt en hulpverlening, maar ook met de familie van de persoon die opgenomen is. Dat mobiele teams opnames en isolatie meer kunnen voorkomen door middel van op tijd begeleiding bieden bij crisis. En dat er sneller comfort rooms worden ingezet als alternatief voor ‘de kille cel’.

 

 

Mijn palmares als ‘psychiatrisch patiënt’

Ik zit nagelbijtend in de wachtzaal. Rond me liggen een tiental tijdschriften, voornamelijk van het type ‘Flair’ en ‘Libelle’. Ze beloven me allen dat ik de feestdagen zonder gewichtstoename kan doorkomen met hun magisch dieet. Daarnaast ligt er een verdwaalde, eenzame Story waaruit ik leer dat Gert (die van Samson) weer een nieuw lief heeft. Ik adem in. Ik adem uit. Zoveel zenuwen heb ik nog niet veel gevoeld in mijn leven.

De arts komt me uit de wachtzaal halen. Ik volg haar (en haar indrukwekkende stiletto’s) naar het dokterskabinet waar de intake zal plaatsvinden. Ik ga op één van de stoelen zitten, de dokter kijkt me aan.

‘Zo’, zegt ze. ‘Ik heb jouw medisch dossier even gelezen. Je hebt al een aanzienlijk palmares als psychiatrisch patiënt’.

Wat een eer.


Eerst en vooral: ik vind het een hele goede zaak dat medische gegevens worden gedeeld via platformen als CoZo. Dubbele onderzoeken worden vermeden, er is zicht op de voorgeschiedenis van de patiënt. Enzovoort. Het is alleen jammer als het lezen van eerdere verslagen het persoonlijke verhaal van de patiënt in de weg kunnen staan. In de situatie die ik hierboven beschreef, leek de arts al een oordeel te hebben alvorens mij te ontmoeten. Zonder dat ik mijn verhaal had kunnen doen. Dat is pijnlijk. Zeker als verslagen van jaren daarvoor nog zoveel invloed uitoefenen op de arts. Daarom had ik het aangenamer gevonden mocht die arts eerst de tijd nemen om mij te spreken. In plaats van als een detective mijn voorgeschiedenis te gaan uitpluizen.

Daarnaast kwam het erg vernederend over dat mijn rijkgevuld medisch dossier als een ‘palmares’ werd gezien. Tegen een kankerpatiënt zou men zoiets wellicht niet zeggen. Het is niet mijn keuze geweest om op zo’n jonge leeftijd ernstige psychische problemen te krijgen. Het is geen keuze en geen prestatie, het is iets wat me overviel. Iets waarmee ik heel moeilijk om kon gaan. Ik heb hier niet voor gekozen. En de arts in kwestie bedoelde het volgens mij ook niet als ‘grapje’. Haar gezichtsuitdrukking zag er niet uit alsof ze het grappig vond om zoiets te zeggen.

Naast het gevulde dossier, kunnen ook eerder gestelde diagnoses erg veel stof doen opwaaien. Zo heb ik enkele mensen in mijn omgeving met de diagnose ‘borderline’. En zij worden toch wel vaak gestigmatiseerd. Vaak ‘hebben’ zij geen borderline meer. Maar ‘zijn’ zij hun aandoening. En al hebben ze bij wijze van spreken een gebroken been, vaak is het onmiddellijk de schuld van hun borderlinestoornis. Ergens prijs ik mezelf gelukkig dat ik dat etiket niet opgekleefd heb gekregen.

Het is fantastisch dat medische gegevens tegenwoordig gedeeld kunnen worden. Maar jammer genoeg heeft het ook nadelen. Zoals mijn indrukwekkend palmares.

Het gaat niet om wat het is. Het gaat over hoe we ermee omgaan als samenleving. En dat kan beter. 

‘En jij werkt niet? Maar je ziet er toch goed uit?!

We geraken aan de praat en het gespreksonderwerp gaat richting studies en werk. Ik probeer het te mijden, maak een omweg langs andere thema’s. Maar onvermijdelijk komt de vraag toch: ‘en wat doe jij?’ En dan sta ik daar. Hoe verwoord ik dit in hemelsnaam? 


Heel vaak vraagt men naar wat ik doe in het dagelijkse leven. Het is geen ongewone of onbeleefde vraag, en toch vind ik het vervelend om erop te antwoorden. Oké, ik doe wel veel en heb mijn kunstenaarskaart. Maar natuurlijk ontvang ik nog een uitkering. Rijk zal ik er niet van worden. Maar het is iets.

Ik maak er geen geheim van dat ik psychische problemen en chronische pijn heb, anders zou ik natuurlijk niet begonnen zijn met deze blog. Maar het is nog steeds lastig om te antwoorden op de vraag naar wat ik zoal doe. En als dat ik dan zeg dat ik zware gezondheidsproblemen heb en ‘voorlopig thuis ben’. Dan krijg ik de reactie: ‘maar je ziet er zo gezond uit?!’ En ik begrijp die mensen hun uitspraken wel. Bij iemand die invalide is, stellen ze zich automatisch iemand in een rolstoel voor. Maar zo werkt het niet.

Natuurlijk bedoel ik hiermee niet dat dergelijke vragen niet meer mogen gesteld worden. Want het is helemaal oké om te vragen naar het leven van iemand die je ontmoet of leert kennen. En ik ben zelf ook altijd wel nieuwsgierig naar het leven van de mensen die ik spreek. Het gaat niet over het stellen van de vraag, maar over de reacties die je er vaak als antwoord op krijgt. En daar mag volgens mij wel verandering in komen.

Want als ik dan te horen krijgen dat ik er ‘perfect gezond uit zie’, dan voelt het al snel alsof ik me moet verantwoorden tegenover mijn ziek-zijn. Al is dat ‘je ziet er gezond uit’ nog het minste. Als mensen zeggen dat ik ‘profiteer’ of ‘niet wil werken’ of ‘lui ben’, dan is het pas moeilijk. En dan weet ik ook niet meer wat ik moet antwoorden. Ja, ik weet dat er een fractie van je belastinggeld naar mij gaat. Ik ben ook een mens. En ook al zie ik er gezond uit, ik ben het daarom niet.

Het is heel erg vervelend om je te moeten verantwoorden voor je eigen situatie. Maar ik wil gerust ’s wisselen voor een weekje, zodat men weet hoe het is om in m’n eigen situatie te leven.

‘So, what’s your diag-nonsense’, vroeg Lisa

Mijn eerste diagnose kwam tijdens mijn opname op de kinder- en jeugdpsychiatrie. Ik was vijftien en zou aan een depressie en een posttraumatische stressstoornis lijden. Dit waren labels waar ik me wel in kon vinden. De psychiater van de kinderpsychiatrie was voorzichtig met het stellen van diagnoses. Hij vond ons als minderjarigen nog te jong om een levenslang etiket aan te smeren. Een jaar later verhuisde ik naar de jeugdafdeling van een kliniek in hartje West-Vlaanderen. Daar werd de diagnose psychotische stoornis gesteld. Iets waar ik me ook wel in kon vinden. En uiteindelijk werd er dan een schizoaffectieve stoornis in combinatie met complexe PTSS vastgesteld.

Het probleem was wel dat ik me ging gedragen naar m’n diagnoses. Dit deed ik helemaal niet bewust. Maar ongewild verstopte ik me wel achter de diagnoses.

Daarnaast gingen ze ook voor een stuk mijn identiteit overnemen. Ik was niet meer Julie, die houdt van paarden, kunst, literatuur, mensen, politiek. Mijn aandoeningen vormden mijn identiteit. Ik was Julie en ik was ziek. En zo ging ik voor het grootste deel enkel nog om met mensen met psychische problemen. Ik voelde me er veilig. Ik hoefde me niet te verantwoorden als ik eens iets ‘vreemd’ deed. Ik was tenslotte de Julie met haar labels. En de labels vormden m’n identiteit. Niet m’n passies en ook niet de zaken waar ik goed in ben. Enkel nog het enge wereldje van de psychiatrie. Want dat wereldje geraakte ik langzaam aan gewoon. Ik kende de wereld buiten psychiatrie niet meer zo goed.

Er was ook een periode waarin ik me verzette tegen diagnostiek. Toen ik een jaar of eenentwintig was. Toen wilde ik ‘normaal’ zijn. Geen etiketten, geen psychiatrie, niet afzien. Ik ging alle hulp uit de weg tot het volledig uit de hand liep en ik wel moest opgenomen worden. Dit was een moeilijke periode en voelde een beetje als een tweede puberteit. Terwijl ik nooit ‘normaal’ had kunnen puberen. Want ik verbleef telkens in psychiatrie. Puberen in een psychiatrische kliniek was moeilijk.

Nu ben ik vijfentwintig en heb ik ergens wel ‘vrede’ met mijn labels, ook al is dat echt niet gemakkelijk. Ik ga me er niet meer achter verstoppen en ze voelen ook niet meer als een last. Mij hebben ze de etiketten opgekleefd die echt bij mijn problematiek passen. Maar ik ben meer dan die etiketten, dan die labels. Ze vormen slechts een klein deeltje van mijn identiteit.

Voor de rest ben ik Julie. Ik hou van paarden, kunst, literatuur, mensen. Enzovoort. Ik ben meer dan mijn etiketten.

In ‘Girl, Interrupted’ vraagt Lisa: ‘So, what’s your diag-nonsense?’

Maar echt nonsens zijn het niet voor mij. De labels bevestigen dat ik niet alleen ben in m’n situatie. Dat er een naam is voor mijn problemen. Ook al ga ik niet mijn ganse identiteit tot mijn etiketten herleiden.

School dan toch nog afwerken

Tot mijn veertiende doorliep ik een relatief vlekkeloze schoolloopbaan. In de lagere school deed ik het goed, ondanks laattijdig gediagnosticeerde dyscalculie. De eerste drie jaren van de middelbare school verliepen ook relatief oké. Pas vanaf het vierde middelbaar stortte het kaartenhuisje in. Er waren buiten paardrijden eigenlijk weinig zaken waarmee ik me nog bezighield. En school bevond zich op de allerlaatste plek. Ik had gedachten aan zelfdoding en bereidde mijn dood minutieus voor. Afscheidsbrieven, een methode, enzovoort. Niets kon me nog tegenhouden. Zelfs paardrijden niet.

Op 22 november 2009 overleefde ik de poging tot zelfdoding die ik zo goed had voorbereid. Ik kwam via de spoeddienst op een afdeling voor kinderpsychiatrie terecht. Daar verbleef ik achttien weken. Vanaf de zevende week mocht ik twee halve dagen per week naar school. Dus ik trok m’n schooluniform aan en begaf me met knikkende knieën naar de bushalte voor het ziekenhuis. En ik nam de bus naar school. Maar ik kon me niet meer inzetten. Het ging gewoon niet meer. Als overleven al zo moeilijk was, wat had ik dan op school te zoeken? Hoe kon ik me bezighouden met algebra als zelfs ademen pijn deed?

Na de achttien weken durende opname veranderde ik van school. Ik ging naar het buitengewoon onderwijs. OV4 type 5. Een school voor chronisch zieke kinderen en jongeren. De lessen hadden dezelfde inhoud en het uiteindelijke diploma zou exact hetzelfde zijn als die van m’n vorige school. Maar er was aanpassing. De boog voelde voor mij minder gespannen.

Al knapte de snaar nog regelmatig. Ik kreeg een C-attest omdat ik vier maanden school had gemist. Dus ik startte opnieuw aan het vierde jaar, in 2010. In november werd ik opnieuw opgenomen tot het einde van het schooljaar. Weer een C-attest. En zo ging het jarenlang verder tot ik in 2012, op mijn achttiende, nog aan het vierde middelbaar moest beginnen.

Ik twijfelde enorm. Had het nog zin om mijn diploma van het middelbaar te behalen? Zou ik nog kunnen studeren, na al die jaren amper school te hebben gelopen? Zou het nog nut hebben?

Toch besloot ik het te proberen. En ‘proberen’ werd ‘doen’. Op negentienjarige leeftijd slaagde ik voor het vierde middelbaar. Een jaar later werkte ik het vijfde jaar af. Het zesde verliep weer iets moeilijker, en splitste ik in twee jaar.

Maar uiteindelijk behaalde ik in juni 2016, op mijn tweeëntwintigste, mijn diploma secundair onderwijs.

Het voelde als een enorme opluchting, ook al was ik vier jaar ‘te laat’. Waar weinigen nog in geloofden, had ik dan toch maar gedaan. Ik heb het afgewerkt. Enerzijds heb ik bewezen dat ik het toch kan. Anderzijds heb ik een ticketje voor mocht ik willen verder studeren.

Ik ben zo blij dat ik dit uiteindelijk heb verwezenlijkt. Want zoveel opties zijn er niet voor volwassenen die het diploma secundair onderwijs nog willen behalen.

Maar het is mogelijk. Echt waar.

Het kind met de lange mouwen in de turnles

Dertien was ik. Ik maakte een eerste kras in mijn linkerarm en schrok van mezelf. Ik dacht dat ik ‘gek’ was geworden. Van zelfverwonding had ik nog nooit gehoord. Wist ik veel dat er nog mensen waren met mijn probleem. De eerste jaren kon ik de krassen goed verbergen. Ik had voor alles smoesjes. De kat krabde me, ik was gevallen tijdens het paardrijden. Ik zocht telkens manieren opdat mijn krassen niet ontdekt zouden worden.

Ik was een meester in het verbergen van mijn problemen. Ik zat vreselijk slecht in mijn vel, maar gaf geen kik. Ik schaamde me, en was bang om als ‘anders’ aanzien te worden. Het liefst van al hoorde ik ‘erbij’. Wat dat dan ook mocht betekenen. Maar ‘anders zijn’ leek me een hel.

Mijn ouders hadden me al meegenomen naar kinderpsychologen. Maar daar zette ik mijn perfect ingestudeerde masker op. Een masker die ik jarenlang ineen had geboetseerd om toch maar niet op te vallen als ‘puber met problemen’. Ik schaamde me. En van zaken zoals Rode Neuzendag was nog helemaal geen sprake.

De eerste twee jaren van het middelbaar bracht ik in een kleine katholieke school door. Ik zat op internaat, maar daar ging de situatie naar het randje van pestgedrag toe. Ik werd lelijk en raar genoemd. Ik werd uitgelachen omwille van m’n acne. Halverwege het tweede middelbaar haalden m’n ouders me thuis van het internaat. Ik ging voortaan met de bus naar school. Toen kwam ik in een hechte vriendengroep terecht. Maar over het krassen zweeg ik als de pest.

In het derde middelbaar veranderde ik van school. Ik ging naar een elitaire school waar ook een uniform gedragen moest worden. Steeds had ik het gevoel dat je ‘er pas bij hoorde’ als je uit Knokke kwam. Ik had een schijthekel aan het elitaire karakter van de school. Als creatieve jonge puber had ik nood aan vrijheid, aan het kunnen uiten van mijn creativiteit.

Tijdens dat schooljaar, het derde middelbaar, werd mijn krassen ontdekt.

Voor de turnles dienden we een shirt met het logo van de school en korte mouwen te dragen. Ik kromp ineen bij de gedachte aan korte mouwen. In het tweede middelbaar waren de krassen nog niet zo zichtbaar. Ik kon ze nog verbergen. Nu kon ik er niet onderuit dat ik effectief een shirt zou moeten dragen, en dat de wonden zichtbaar zouden zijn.

In een hoekje van de kleedkamer kleedde ik me om. In de hoop dat ik zo onopvallend mogelijk kon blijven. Boven het T-shirt deed ik mijn uniformtrui. Ik zou wel een smoesje bedenken om de trui te kunnen aanhouden. Maar eenmaal in de turnzaal, zei de leraar dat ik mijn trui moest uitdoen. Ik kromp ineen. Het werd een ‘welles-nietes’ spelletje en uiteindelijk werd ik terug naar de kleedkamer gestuurd. Met trui. Die vijftig minuten leken maar niet voorbij te gaan.

Na de turnles liep de leraar zich bij me. Hij noemde me hautain en verwaand omdat ik zonder verpinken ‘neen’ zei over iets simpel als een trui uitdoen. Maar voor mij was het niet simpel. Ik moest en zou m’n wonden verbergen.

Uiteindelijk werd afgesproken dat ik een shirtje met lange mouwen onder mijn turnshirt mocht dragen.

Dan kwam ik bij de leerlingenbegeleider en CLB-psychologe terecht. Praten was enorm moeilijk en het grootste deel van mijn problematiek verzweeg ik. Maar het gevoel dat er iemand klaarstond om naar me te luisteren, deed wonderen.

De rest van het schooljaar turnde ik in lange mouwen. Een jaar later werd ik voor het eerst opgenomen in de kinderpsychiatrie.

De jaren voor die opname, waren veruit de eenzaamste van mijn leven.

Maar ik ben er nog. Ik adem. Ik leef. Ik doe voort

En voor de turnkledij werd een oplossing gezocht.

Tot de maan en terug

Bijna dag op dag vijftig jaar geleden landden Neil Armstrong, Buzz Aldrin en Michael Collins op de maan. Als ik mijn krant deze ochtend opende, zag ik een interview met Frank De Winne. Ik moet het artikel nog lezen want ik slaag er niet in veel ‘nuttig werk’ te verzetten vandaag. Het is zo’n dag waarop in- en uitademen al een hele prestatie is. Laat staan kranten lezen, enzovoort.

Vandaag nam ik afscheid. Van iemand die er zelf niet meer wilde zijn. Van een persoon die het leven als ondraaglijk ervoer en zelf afrondde. En wat zal ze gemist worden hier op aarde. Door zoveel mensen die vandaag rozen meebrachten, tranen meebrachten, liefde uitten.

Zoveel mensen herdachten samen met mij een persoon die uit liefde bestond. Uit taal. Poëzie. En liefde. Dat vooral. Een lieve lach. Een lieve knuffel. Een lieve ‘zijn’.

Tot de maan en terug, en nog veel verder.

Tot voorbij de maan reikt jouw liefde.