‘En jij werkt niet? Maar je ziet er toch goed uit?!

We geraken aan de praat en het gespreksonderwerp gaat richting studies en werk. Ik probeer het te mijden, maak een omweg langs andere thema’s. Maar onvermijdelijk komt de vraag toch: ‘en wat doe jij?’ En dan sta ik daar. Hoe verwoord ik dit in hemelsnaam? 


Heel vaak vraagt men naar wat ik doe in het dagelijkse leven. Het is geen ongewone of onbeleefde vraag, en toch vind ik het vervelend om erop te antwoorden. Oké, ik doe wel veel en heb mijn kunstenaarskaart. Maar natuurlijk ontvang ik nog een uitkering. Rijk zal ik er niet van worden. Maar het is iets.

Ik maak er geen geheim van dat ik psychische problemen en chronische pijn heb, anders zou ik natuurlijk niet begonnen zijn met deze blog. Maar het is nog steeds lastig om te antwoorden op de vraag naar wat ik zoal doe. En als dat ik dan zeg dat ik zware gezondheidsproblemen heb en ‘voorlopig thuis ben’. Dan krijg ik de reactie: ‘maar je ziet er zo gezond uit?!’ En ik begrijp die mensen hun uitspraken wel. Bij iemand die invalide is, stellen ze zich automatisch iemand in een rolstoel voor. Maar zo werkt het niet.

Natuurlijk bedoel ik hiermee niet dat dergelijke vragen niet meer mogen gesteld worden. Want het is helemaal oké om te vragen naar het leven van iemand die je ontmoet of leert kennen. En ik ben zelf ook altijd wel nieuwsgierig naar het leven van de mensen die ik spreek. Het gaat niet over het stellen van de vraag, maar over de reacties die je er vaak als antwoord op krijgt. En daar mag volgens mij wel verandering in komen.

Want als ik dan te horen krijgen dat ik er ‘perfect gezond uit zie’, dan voelt het al snel alsof ik me moet verantwoorden tegenover mijn ziek-zijn. Al is dat ‘je ziet er gezond uit’ nog het minste. Als mensen zeggen dat ik ‘profiteer’ of ‘niet wil werken’ of ‘lui ben’, dan is het pas moeilijk. En dan weet ik ook niet meer wat ik moet antwoorden. Ja, ik weet dat er een fractie van je belastinggeld naar mij gaat. Ik ben ook een mens. En ook al zie ik er gezond uit, ik ben het daarom niet.

Het is heel erg vervelend om je te moeten verantwoorden voor je eigen situatie. Maar ik wil gerust ’s wisselen voor een weekje, zodat men weet hoe het is om in m’n eigen situatie te leven.

‘So, what’s your diag-nonsense’, vroeg Lisa

Mijn eerste diagnose kwam tijdens mijn opname op de kinder- en jeugdpsychiatrie. Ik was vijftien en zou aan een depressie en een posttraumatische stressstoornis lijden. Dit waren labels waar ik me wel in kon vinden. De psychiater van de kinderpsychiatrie was voorzichtig met het stellen van diagnoses. Hij vond ons als minderjarigen nog te jong om een levenslang etiket aan te smeren. Een jaar later verhuisde ik naar de jeugdafdeling van een kliniek in hartje West-Vlaanderen. Daar werd de diagnose psychotische stoornis gesteld. Iets waar ik me ook wel in kon vinden. En uiteindelijk werd er dan een schizoaffectieve stoornis in combinatie met complexe PTSS vastgesteld.

Het probleem was wel dat ik me ging gedragen naar m’n diagnoses. Dit deed ik helemaal niet bewust. Maar ongewild verstopte ik me wel achter de diagnoses.

Daarnaast gingen ze ook voor een stuk mijn identiteit overnemen. Ik was niet meer Julie, die houdt van paarden, kunst, literatuur, mensen, politiek. Mijn aandoeningen vormden mijn identiteit. Ik was Julie en ik was ziek. En zo ging ik voor het grootste deel enkel nog om met mensen met psychische problemen. Ik voelde me er veilig. Ik hoefde me niet te verantwoorden als ik eens iets ‘vreemd’ deed. Ik was tenslotte de Julie met haar labels. En de labels vormden m’n identiteit. Niet m’n passies en ook niet de zaken waar ik goed in ben. Enkel nog het enge wereldje van de psychiatrie. Want dat wereldje geraakte ik langzaam aan gewoon. Ik kende de wereld buiten psychiatrie niet meer zo goed.

Er was ook een periode waarin ik me verzette tegen diagnostiek. Toen ik een jaar of eenentwintig was. Toen wilde ik ‘normaal’ zijn. Geen etiketten, geen psychiatrie, niet afzien. Ik ging alle hulp uit de weg tot het volledig uit de hand liep en ik wel moest opgenomen worden. Dit was een moeilijke periode en voelde een beetje als een tweede puberteit. Terwijl ik nooit ‘normaal’ had kunnen puberen. Want ik verbleef telkens in psychiatrie. Puberen in een psychiatrische kliniek was moeilijk.

Nu ben ik vijfentwintig en heb ik ergens wel ‘vrede’ met mijn labels, ook al is dat echt niet gemakkelijk. Ik ga me er niet meer achter verstoppen en ze voelen ook niet meer als een last. Mij hebben ze de etiketten opgekleefd die echt bij mijn problematiek passen. Maar ik ben meer dan die etiketten, dan die labels. Ze vormen slechts een klein deeltje van mijn identiteit.

Voor de rest ben ik Julie. Ik hou van paarden, kunst, literatuur, mensen. Enzovoort. Ik ben meer dan mijn etiketten.

In ‘Girl, Interrupted’ vraagt Lisa: ‘So, what’s your diag-nonsense?’

Maar echt nonsens zijn het niet voor mij. De labels bevestigen dat ik niet alleen ben in m’n situatie. Dat er een naam is voor mijn problemen. Ook al ga ik niet mijn ganse identiteit tot mijn etiketten herleiden.

School dan toch nog afwerken

Tot mijn veertiende doorliep ik een relatief vlekkeloze schoolloopbaan. In de lagere school deed ik het goed, ondanks laattijdig gediagnosticeerde dyscalculie. De eerste drie jaren van de middelbare school verliepen ook relatief oké. Pas vanaf het vierde middelbaar stortte het kaartenhuisje in. Er waren buiten paardrijden eigenlijk weinig zaken waarmee ik me nog bezighield. En school bevond zich op de allerlaatste plek. Ik had gedachten aan zelfdoding en bereidde mijn dood minutieus voor. Afscheidsbrieven, een methode, enzovoort. Niets kon me nog tegenhouden. Zelfs paardrijden niet.

Op 22 november 2009 overleefde ik de poging tot zelfdoding die ik zo goed had voorbereid. Ik kwam via de spoeddienst op een afdeling voor kinderpsychiatrie terecht. Daar verbleef ik achttien weken. Vanaf de zevende week mocht ik twee halve dagen per week naar school. Dus ik trok m’n schooluniform aan en begaf me met knikkende knieën naar de bushalte voor het ziekenhuis. En ik nam de bus naar school. Maar ik kon me niet meer inzetten. Het ging gewoon niet meer. Als overleven al zo moeilijk was, wat had ik dan op school te zoeken? Hoe kon ik me bezighouden met algebra als zelfs ademen pijn deed?

Na de achttien weken durende opname veranderde ik van school. Ik ging naar het buitengewoon onderwijs. OV4 type 5. Een school voor chronisch zieke kinderen en jongeren. De lessen hadden dezelfde inhoud en het uiteindelijke diploma zou exact hetzelfde zijn als die van m’n vorige school. Maar er was aanpassing. De boog voelde voor mij minder gespannen.

Al knapte de snaar nog regelmatig. Ik kreeg een C-attest omdat ik vier maanden school had gemist. Dus ik startte opnieuw aan het vierde jaar, in 2010. In november werd ik opnieuw opgenomen tot het einde van het schooljaar. Weer een C-attest. En zo ging het jarenlang verder tot ik in 2012, op mijn achttiende, nog aan het vierde middelbaar moest beginnen.

Ik twijfelde enorm. Had het nog zin om mijn diploma van het middelbaar te behalen? Zou ik nog kunnen studeren, na al die jaren amper school te hebben gelopen? Zou het nog nut hebben?

Toch besloot ik het te proberen. En ‘proberen’ werd ‘doen’. Op negentienjarige leeftijd slaagde ik voor het vierde middelbaar. Een jaar later werkte ik het vijfde jaar af. Het zesde verliep weer iets moeilijker, en splitste ik in twee jaar.

Maar uiteindelijk behaalde ik in juni 2016, op mijn tweeëntwintigste, mijn diploma secundair onderwijs.

Het voelde als een enorme opluchting, ook al was ik vier jaar ‘te laat’. Waar weinigen nog in geloofden, had ik dan toch maar gedaan. Ik heb het afgewerkt. Enerzijds heb ik bewezen dat ik het toch kan. Anderzijds heb ik een ticketje voor mocht ik willen verder studeren.

Ik ben zo blij dat ik dit uiteindelijk heb verwezenlijkt. Want zoveel opties zijn er niet voor volwassenen die het diploma secundair onderwijs nog willen behalen.

Maar het is mogelijk. Echt waar.

Couragekop #1: Tine

Af en toe laat ik iemand met psychische problemen en/of chronische pijn aan woord, om te laten zien hoeveel moed nodig is om met een psychische aandoening of pijn te leven. De eerste ‘couragekop’ die ik interviewde, is Tine. 

Wil je zelf iets vertellen op deze blog? Mail me dan op beirensjulie@hotmail.com

Mijn naam is Tine, ik ben zesentwintig jaar oud en woon in Kortrijk. Ik heb het geluk in een mooi huisje met tuintje te wonen. Waar ik heel blij om ben. In het middelbaar studeerde ik jeugd- en gehandicaptenzorg. Daarna ben ik twee keer gestart aan de opleiding ‘kleuteronderwijs’. Maar helaas heb ik die opleiding door omstandigheden niet kunnen afwerken. Verder hou ik enorm van dieren, ben ik een muziekliefhebber en leerde ik mezelf gitaar en keyboard spelen. Ik schrijf zelf liedjes. Ook tekenen, voor mijn blog schrijven en poëzie schrijven doe ik graag.

Jammer genoeg kreeg ik te maken met psychische problemen. Ik heb last van een dysthyme stoornis en persoonlijkheidsstoornis. Het moeilijkste aan mijn problematiek vind ik de donkere gedachten en zelfverwonding.

Op mijn dertiende begon ik mezelf te verwonden. Ik voelde me niet goed in mijn vel, voelde me eenzaam en werd gepest op school. Het lukte me niet om er met iemand over te praten. Op school had ik het tot het vijfde middelbaar altijd moeilijk. Op school had ik weleens een gesprek met iemand van de leerlingenbegeleiding. Ook een leerkracht en leidster van de jeugdbeweging nam ik in vertrouwen.

Toen ik achttien was, zocht ik hulp bij het Jongeren Advies Centrum. Eerst mailden we heen-en-weer omdat ik te angstig was om op gesprek te gaan.

Toen ik achttien was, zocht ik hulp bij het Jongeren Advies Centrum. Eerst mailden we heen-en-weer omdat ik te angstig was om op gesprek te gaan. Na lang aarzelen ging ik langs om met iemand van het JAC praten. Op een bepaalde woensdag hebben de mensen van het JAC me naar de spoeddienst gebracht. Daar werd ik opgenomen op de afdeling voor spoedpsychiatrie. En zo ging de bal aan het rollen. De ene opname na de andere volgde, in verschillende psychiatrische ziekenhuizen.

Dankzij DGT leerde ik om te gaan met crisissen en mijn heftige gevoelens en gedachten.

De therapie die me het meeste hielp, was de dialectische gedragstherapie (DGT). Dankzij DGT leerde ik om te gaan met crisissen en mijn heftige gevoelens en gedachten. Daarnaast neem ik nog medicijnen die me ondersteunen. Waar ik niet zoveel aan gehad heb, was de afdeling voor jongvolwassenen in een andere kliniek. De psychoanalytische werking gaf me het gevoel steeds dieper in de put te geraken.

Nu, na al die jaren, gaat het redelijk goed met me. Ik voel me af en toe goed en oké, dat heb ik jaren niet ervaren. De zelfverwonding is enorm afgenomen, is bijna een zeldzaamheid geworden. En ik krijg voldoende ambulante hulp, door een psycholoog en psychiater. Daarnaast komt familiehulp twee maal per week langs om met het huishouden te helpen, en komt een thuisverpleegkundige samen met mij mijn medicatie klaarzetten voor een week. Daarnaast ga ik twee dagen per week naar een activiteitencentrum om sociaal contact te hebben. In het activiteitencentrum doen we fijne dingen, zoals koken en met honden uit het asiel gaan wandelen.

Later zou ik graag een cursus ervaringsdeskundigheid willen volgen. Zodat ik iets kan betekenen voor anderen me psychische problemen.

Als ik me niet zo goed voel, dan sluit ik me vaak op in mijn huisje. Daarom probeer ik contact te houden met de mensen die me steunen en positieve energie geven. Zoals mijn ouders, broers, een tante, en vriendinnen. Als het moeilijk gaat weet ik dat ik bij hen terecht kan, en kan ik enkele dagen bij hen blijven logeren. Daarnaast is Netflix een reddende engel als ik het moeilijk heb. Zelfzorg is dan lief zijn voor mezelf. Mezelf verzorgen, douchen, eten, en de zalfjes smeren voor de psoriasis waar ik last van heb.

Psychiatrie voelt dubbel aan voor mij. Ik heb hele moeilijke ervaringen gehad, zoals de isoleercel en vastgebonden worden aan een bed. Maar gelukkig heeft psychiatrie ook veel positieve aspecten voor mij. Ik heb tools geleerd om met moeilijkheden om te gaan, heb fijne mensen leren kennen, vriendschappen opgebouwd.

Ik voel dat het beter gaat als ik rust in mijn hoofd ervaar in plaats van een storm aan gedachten en emoties die door mijn lijf en hoofd razen.

Toen ik voor het eerst opgenomen werd, dan schaamde ik me te pletter. Maar na verloop van tijd ging ik inzien dat psychiatrie niet iets is waarvoor ik me moest schamen. Ik startte een blog waarop ik mijn verhaal deel. En ook op Facebook durf ik weleens iets persoonlijks zetten over de weg naar herstel. Ik schaam me niet meer voor wie ik ben. Al voel ik me soms wel beschaamd als ik met ontblote armen rondloop. Soms krijg ik starende blikken omwille van de littekens door zelfverwonding. Maar ik probeer me er niets van aan te trekken, al is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan.

68430153_342466619966633_8430309791686983680_n

Het kind met de lange mouwen in de turnles

Dertien was ik. Ik maakte een eerste kras in mijn linkerarm en schrok van mezelf. Ik dacht dat ik ‘gek’ was geworden. Van zelfverwonding had ik nog nooit gehoord. Wist ik veel dat er nog mensen waren met mijn probleem. De eerste jaren kon ik de krassen goed verbergen. Ik had voor alles smoesjes. De kat krabde me, ik was gevallen tijdens het paardrijden. Ik zocht telkens manieren opdat mijn krassen niet ontdekt zouden worden.

Ik was een meester in het verbergen van mijn problemen. Ik zat vreselijk slecht in mijn vel, maar gaf geen kik. Ik schaamde me, en was bang om als ‘anders’ aanzien te worden. Het liefst van al hoorde ik ‘erbij’. Wat dat dan ook mocht betekenen. Maar ‘anders zijn’ leek me een hel.

Mijn ouders hadden me al meegenomen naar kinderpsychologen. Maar daar zette ik mijn perfect ingestudeerde masker op. Een masker die ik jarenlang ineen had geboetseerd om toch maar niet op te vallen als ‘puber met problemen’. Ik schaamde me. En van zaken zoals Rode Neuzendag was nog helemaal geen sprake.

De eerste twee jaren van het middelbaar bracht ik in een kleine katholieke school door. Ik zat op internaat, maar daar ging de situatie naar het randje van pestgedrag toe. Ik werd lelijk en raar genoemd. Ik werd uitgelachen omwille van m’n acne. Halverwege het tweede middelbaar haalden m’n ouders me thuis van het internaat. Ik ging voortaan met de bus naar school. Toen kwam ik in een hechte vriendengroep terecht. Maar over het krassen zweeg ik als de pest.

In het derde middelbaar veranderde ik van school. Ik ging naar een elitaire school waar ook een uniform gedragen moest worden. Steeds had ik het gevoel dat je ‘er pas bij hoorde’ als je uit Knokke kwam. Ik had een schijthekel aan het elitaire karakter van de school. Als creatieve jonge puber had ik nood aan vrijheid, aan het kunnen uiten van mijn creativiteit.

Tijdens dat schooljaar, het derde middelbaar, werd mijn krassen ontdekt.

Voor de turnles dienden we een shirt met het logo van de school en korte mouwen te dragen. Ik kromp ineen bij de gedachte aan korte mouwen. In het tweede middelbaar waren de krassen nog niet zo zichtbaar. Ik kon ze nog verbergen. Nu kon ik er niet onderuit dat ik effectief een shirt zou moeten dragen, en dat de wonden zichtbaar zouden zijn.

In een hoekje van de kleedkamer kleedde ik me om. In de hoop dat ik zo onopvallend mogelijk kon blijven. Boven het T-shirt deed ik mijn uniformtrui. Ik zou wel een smoesje bedenken om de trui te kunnen aanhouden. Maar eenmaal in de turnzaal, zei de leraar dat ik mijn trui moest uitdoen. Ik kromp ineen. Het werd een ‘welles-nietes’ spelletje en uiteindelijk werd ik terug naar de kleedkamer gestuurd. Met trui. Die vijftig minuten leken maar niet voorbij te gaan.

Na de turnles liep de leraar zich bij me. Hij noemde me hautain en verwaand omdat ik zonder verpinken ‘neen’ zei over iets simpel als een trui uitdoen. Maar voor mij was het niet simpel. Ik moest en zou m’n wonden verbergen.

Uiteindelijk werd afgesproken dat ik een shirtje met lange mouwen onder mijn turnshirt mocht dragen.

Dan kwam ik bij de leerlingenbegeleider en CLB-psychologe terecht. Praten was enorm moeilijk en het grootste deel van mijn problematiek verzweeg ik. Maar het gevoel dat er iemand klaarstond om naar me te luisteren, deed wonderen.

De rest van het schooljaar turnde ik in lange mouwen. Een jaar later werd ik voor het eerst opgenomen in de kinderpsychiatrie.

De jaren voor die opname, waren veruit de eenzaamste van mijn leven.

Maar ik ben er nog. Ik adem. Ik leef. Ik doe voort

En voor de turnkledij werd een oplossing gezocht.

Hoe bijziendheid handig kan zijn bij psychose

Ik ben hoog bijziend. Sinds mijn elfde. Ik stal moeders bril om ’s zomers naar de zoveelste heruitzendingen van FC De Kampioenen te kijken. Je weet wel, dat programma dat je in de basisschool nog graag ziet. Daarna gaan de meesten het net als ik een flauwe bedoening vinden.

September kwam eraan en ik kon het schoolbord niet lezen. De juf schreef in mijn schoolagenda dat ik naar de oogarts moest. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging naar ‘de oogmeester’, zoals wij dat in West-Vlaanderen noemen. En ik kreeg een bril opgemeten. En trots dat ik was. Wat voelde ik me stoer.

De overgang naar het secundair onderwijs kwam er noodgedwongen aan. Een bril was plots niet meer cool. De bijziendheid werd ook steeds erger en ik had steeds zwaardere brilglazen nodig.

Op mijn zestiende kwamen de eerste tekenen van een psychotische stoornis. Eens de psychose volledig was doorgebroken, had ik een brilsterkte van -8 ontwikkeld. En dan ontdekte ik een truc die me nog heel veel zou helpen.

Ik ging mijn bril afzetten bij vermoedens van visuele hallucinaties. Als ik dingen zag die er niet waren, dan zette ik mijn bril af. En dat hielp.

Want zonder bril wordt alles wazig. Behalve de zaken die ik door hallucinaties zie, deze blijven scherp. En zo kon ik mezelf in de mate van het mogelijke geruststellen dat de hallucinaties niet echt waren.

Een Nobelprijs zal ik er vast niet voor krijgen. Maar ik hoop wel dat ik mensen met een psychotische kwetsbaarheid én bijziendheid kan helpen door middel van ‘de truc met de bril’.

Want als je je bril afzet en het blijft scherp, dan is het niet ‘echt’.

En zo heeft bijziend zijn ook voordelen.

Tot de maan en terug

Bijna dag op dag vijftig jaar geleden landden Neil Armstrong, Buzz Aldrin en Michael Collins op de maan. Als ik mijn krant deze ochtend opende, zag ik een interview met Frank De Winne. Ik moet het artikel nog lezen want ik slaag er niet in veel ‘nuttig werk’ te verzetten vandaag. Het is zo’n dag waarop in- en uitademen al een hele prestatie is. Laat staan kranten lezen, enzovoort.

Vandaag nam ik afscheid. Van iemand die er zelf niet meer wilde zijn. Van een persoon die het leven als ondraaglijk ervoer en zelf afrondde. En wat zal ze gemist worden hier op aarde. Door zoveel mensen die vandaag rozen meebrachten, tranen meebrachten, liefde uitten.

Zoveel mensen herdachten samen met mij een persoon die uit liefde bestond. Uit taal. Poëzie. En liefde. Dat vooral. Een lieve lach. Een lieve knuffel. Een lieve ‘zijn’.

Tot de maan en terug, en nog veel verder.

Tot voorbij de maan reikt jouw liefde.

Wat als het voelt alsof de hulpverlener afgestompt is?

Doorheen de tien jaar sinds mijn allereerste contact met psychiatrie, heb ik talloze psychiaters en andere hulpverleners ontmoet. Soms op spoedgevallendiensten, een eenmalig dringend consult, vaak na het oplappen van de schade ontstaan door zelfverwondend gedrag. Maar vaak ook voor jarenlange begeleiding en opvolging, waarin langzaam aan een band ontstond. Doorheen die tien jaar heb ik telkens geprobeerd om niet te snel te oordelen, en de dialoog telkens aan te gaan. Iedere keer te blijven overleggen tot we iets vonden wat voor beiden aanvaardbaar was. Toch merkte ik dat bepaalde stramienen soms terugkwamen in deze gesprekken. Patronen waarvan ik altijd al vond dat ze niet bepaald helpend waren voor mij als cliënt. Gelukkig vormde dit een klein aandeel van alle contacten met hulpverleners die ik heb gekend doorheen die tien jaar.

Wat me enorm raakt is de ‘afgestompte hulpverlener’. De zorgverlener die niet meer geraakt lijkt te worden door het verhaal van de cliënt. Volgens mij is dat een groot risico verbonden aan hulpverlener worden. Afgevlakt raken. Het verhaal klasseren in de ellenlange lijst aan levensverhalen die de revue al gepasseerd zijn in de praktijk of het ziekenhuis. Het lijden van de cliënt vrijwel onmiddellijk in een hokje gieten. ‘O, die bepaalde symptomen zijn er, dus het zal wel stoornis X of Y zijn’. Zo werden er in mijn omgeving bij jonge, zichzelf ontwikkelende, mensen diagnoses gesteld die voor het leven zijn. Ook bij mij. Als minderjarige had ik echt (nog) geen nood aan een levenslang label, ik was nog volop in ontwikkeling. Ik had een hulpverlener nodig die luisterde, die me hielp de lijdensdruk te verlichten zonder me daarom onmiddellijk te classificeren.

Men hoort altijd dat: ‘hulpverleners het lijden van hun cliënten niet naar huis mogen meenemen’. En dat is ook zo. Maar ergens is het volgens mij ook heel belangrijk om nog enigszins geraakt te worden door het verhaal van de persoon die voor je zit. Als het je niets meer doet, op geen enkele manier meer raakt, dan ben je volgens mij niet echt goed bezig.

Met mensen werken is voor mij nog altijd geraakt worden, zonder het daarom mee te nemen naar huis of de slaap ervoor te laten. Uitersten zijn nooit ideaal. Maar wat ik doorheen die tien jaar af en toe gemist heb is meer zijn dan de zoveelste patiënt met verhaal X of Y.

Al vormde dit gelukkig de overgrote minderheid van alle contacten met hulpverleners die ik doorheen de jaren heb gekend.

‘Je hebt tenminste geen kanker’ en andere opmerkingen die helemaal niet helpend zijn

Opmerkingen van anderen vind ik één van de moeilijkste thema’s horend bij m’n psychische problemen. Doorheen de tien jaar sinds m’n eerste psychiatrische opname kreeg ik echt met heel veel oneliners te maken. Alleen waren ze, hoe goedbedoeld ook, vaak erg schadelijk voor me. Als ik na meer dan twintig opnames in psychiatrie zaken te horen krijg als: ‘Je hebt tenminste geen kanker’ en ‘wees blij dat het maar iets psychisch is’. Dan kraak ik echt als mens.

Het liefst van al had ik gewoon ‘niets’ gehad. Was ik gezond geweest. Had ik m’n studies kunnen afwerken en was ik nu in het werkveld actief. Enzovoort. Het liefst van al was ik gezond. Hoe dankbaar ik ook ben naar onder andere mijn echtgenoot om me zo goed bij te staan. Toch was ik liever gewoon ‘gezond’ geweest. Ook al is de grens tussen ‘psychisch ziek’ en ‘gezond’ volgens mij flinterdun en moeilijk te bepalen. Want vanaf wanneer is iemand dan ‘ziek’ volgens psychiatrische normen? En waar ligt die grens?

Hoe dan ook. Ik kan een lange lijst maken met alle niet-helpende oneliners die ik te horen heb gekregen doorheen de jaren. Maar daar hebben jullie weinig aan. Het komt erop neer dat er vaak en veel onbegrip is. Dat psychisch lijden nog vaak wordt gezien als aanstellerij en iets dat minder ernstig is dan lichamelijk ziek zijn. En dit terwijl je geen appels met peren kan vergelijken. Iedere aandoening is anders en er is niet zoiets als: ‘mijn ziekte is ernstiger dan die van jou’ en ‘ik zie meer af dan jij’. Je kunt verschillende soorten leed niet met elkaar gaan vergelijken.

Neen, ik heb tenminste geen kanker. En ja, mijn probleem situeert zich grotendeels in mijn hersenen. Maar het hoeft daarom niet weggecijferd worden. Of afgedaan worden als iets dat minder ernstig is dan een fysieke ziekte.

Het voordeel aan psychisch leed is dat het grotendeels onzichtbaar is. En het nadeel aan psychisch leed is ook dat het grotendeels onzichtbaar is. Soms zou ik willen dat men het ziet, dat mensen met een psychiatrische aandoening zich niet telkens hoeven te verantwoorden als het bijvoorbeeld om ‘iets niet kunnen’ gaat. Als een afspraakje wordt afgezegd of als een taak beter doorgegeven wordt. Als het even niet lukt of in andere situaties.

We hebben inderdaad geen kanker. Maar het is vaak best wel afzien om te leven met een psychische aandoening. En een oordeel is zeker niet helpend.

Thinking is difficult, that’s why most people judge.

– CG Jung

‘Ik ben tegen medicatie’ en andere gezegden. Waarom psychofarmaca geen rommel zijn

Op mijn vijftiende nam ik mijn eerste psychofarmacon. Sindsdien heb ik iedere dag medicatie genomen. Soms voelt het vreemd dat ik gedurende tien jaar elke dag medicijnen heb ingenomen. En als mijn stemming heel erg hoog zit, dan voelt het ook alsof ik die pillen helemaal niet nodig heb. Dan zeg ik zaken tegen mijn omgeving als: ‘jullie proberen me te vergiftigen met die pillen’ en ‘jullie zijn ziek, niet ik.’

Soms ontmoet ik ook mensen die helemaal tegen het gebruik van psychofarmaca zijn, ook al hebben ze vaak zelf totaal geen ervaring met wat geneesmiddelen voor psychische problemen juist inhouden. Zo heb ik als puber iemand gekend die me heel vaak zei dat: ‘die pillen nutteloos zijn’ of ‘dat die pillen vergif zijn’. Dat was vaak moeilijk om te horen omdat ik toen nog erg beïnvloedbaar was. Ik liet me erg sturen door meningen van mensen uit mijn omgeving en soms stopte ik ook abrupt met mijn medicatie omdat men zei dat het ‘niet goed voor me was’ of omdat ik dacht dat ik ‘die medicijnen helemaal niet nodig had’. Ik was jong en beïnvloedbaar en liet me volledig leiden door wat anderen me vertelden.

Op dit moment hoor ik nog soms mensen zeggen dat: ‘al die medicatie niet goed is voor me’. Maar om heel eerlijk te zijn heb ik geen draaglijk leven zonder medicijnen. Ik heb meermaals geprobeerd ze af te bouwen en iedere keer kwam ik in psychose en/of depressie of (hypo)manie terecht. Wat tot hele gevaarlijke en ook ondraaglijke situaties leidde. Ik heb hele risicovolle dingen gedaan toen ik medicijnen probeerde af te bouwen of stop te zetten. Ik heb er intussen deels vrede mee dat ik medicijnen nodig heb. En dat de kans erin zit dat ik levenslang pillen zal slikken. Ook al is dat nu lang nog niet zeker.

Op vlak van medicatie ben ik voorstander van: ‘zoveel als nodig, maar zo weinig mogelijk’. Als het nodig is, dan is het zo. Maar wel zo spaarzaam en doordacht mogelijk.

Ik vind het spijtig dat zinnen als: ‘antidepressiva zijn rommel’ of ‘antipsychotica maken je enkel maar dik’ vaak uit monden komen van mensen die veelal zelden met zaken als depressie of psychose in aanraking zijn gekomen. Het is volgens mij jammer dat men door oneliners afgeschrikt wordt om medicijnen te nemen. Ook al vind ik ook dat het soms wel heel snel wordt voorgeschreven en dat er vaak ook andere behandelopties zonder medicatie zijn. Behandelopties die vaak heel erg prijzig zijn zoals de ambulante psychotherapie die bij ons in België amper wordt terugbetaald door de ziekteverzekering.

Ergens heb ik er vrede mee. Waar ik mijn medicatie soms nog met weerstand neem, heb ik er me grotendeels bij neergelegd dat mijn hersenen stukken beter functioneren met het dagelijks innemen van stemmingsstabilisatoren en antipsychotica. Dat ik veel minder afzie dankzij die dagelijkse pillen. Dat ik beter functioneer.

En ook al zijn psychofarmaca lang niet de enige oplossing, toch zijn ze wel een heel belangrijk element in mijn weg naar herstel.