Voor als je moet zakken

De eerste september komt eraan. Boeken worden naarstig gekaft, schoenen opgeblonken, haren geknipt. Zolang we maar piekfijn zijn voor de traditionele foto, het schoolgaande kroost aan de voordeur. Schooltas klampachtig vasthouden, als een anker. Nu kan het nog. Sommigen van die kinderen aan de voordeur weten exact wat ze willen, waar ze goed in zijn. Helaas zijn er vele anderen, het merendeel misschien. Zij die het allemaal niet zo goed weten. Wat ze willen, wat ze kunnen, waar hun talenten liggen. En dan hanteert men de aloude strategie. ‘We gaan zo hoog mogelijk beginnen, en dan kunnen ze nog altijd zakken’. En dit bezorgt mij, en wellicht vele anderen, een jaarlijkse goeie portie verontwaardiging.

Zelf was ik een puber die het helemaal niet meer wist. Ik begon ‘hoog’ in ASO. Maar door allerlei omstandigheden ging het niet meer. De diagnose depressie werd in het eerste middelbaar al geopperd door de kinderarts en voornamelijk de kinderpsychologe van het ziekenhuis. Dit nadat ik negen weken afwezig was geweest door extreme fysieke en psychische uitputting. Gezien mijn eerste twee examenperiodes goed waren verlopen, kreeg ik een ticketje naar het tweede middelbaar. Een A-attest. Alleen bezorgden die negen weken afwezigheid me een fikse leerachterstand. Ik startte in het tweede middelbaar, maar het ging niet meer. De wiskundige formules en aardrijkskundige feitjes geraakten er niet meer in. En laten we stellen dat zeker vakken als wiskunde moeilijk te volgen zijn als je een basis van negen weken hebt gemist. Dus ik kwakkelde achterop de klas. Er werd gekscherend naar de rode getallen op mijn rapport gekeken. Mijn zelfbeeld zakte met de dag. En toen we op het einde van het tweede jaar een briefje kregen, waar we onze studiekeuze voor het derde jaar moesten invullen. Dan vulde ik ‘TSO toerisme’ in. De klassenraad schreef me een briefje terug met de boodschap: ‘toerisme lijkt ons een goeie keuze’. En zo was het beslist. Ik was hier allesbehalve gelukkig mee. Maar een mens moest iets doen om nog vier jaar middelbare school te overleven. Zonder rode cijfers op mijn rapport. Dus ik startte.

Zelf voelde ik me niet goed bij de overstap naar TSO. Maar heel veel andere jongeren zouden dit wel geweest zijn. Jongeren die dwangmatig in studierichtingen werden geduwd omdat het toch veel ‘hoger’ is. Hoger dan die richtingen waarvoor het kind in kwestie echt interesse toont. Voor grootouders is het leuk om tegen vrienden te zeggen dat hun dochter toch wel in de ‘Latijnse’ zit. Terwijl het kind misschien liever met z’n handen werkt.

Zakken is niet zakken. Noem het stijgen. Stijgen in zelfvertrouwen. Stijgen in kunnen, stijgen in waar de jongere goed in is. Stijgen als mens. En die mensen hebben we nodig. Passie, vakkennis, zelfvertrouwen. Een toekomst.  

Zelfverwonding in psychiatrie. Zou jij het verbieden of niet?

Bij mijn eerste opname, op een afdeling voor kinder- en jeugdpsychiatrie, waren er wel enkele mensen uit mijn leegroep die zichzelf verwondden. Meestal waren de verwondingen niet in die mate ernstig dat er een arts bij moest komen. Zoals jullie weten ben ik van mening dat de ernst van de puur fysieke verwondingen niet altijd iets zegt over de innerlijke pijn. Er zijn zoveel meer factoren. Zelf ben ik me op de duur ernstiger gaan verwonden omdat ik steeds meer ‘wond’ nodig had om de stemmen te doen zwijgen.

Op de afdeling van mijn eerste opname was er geen verbod op zelfverwonding. Maar er werd ook niet in groep over gepraat. Er was altijd wel een opvoeder of verpleegkundige bij ons in de buurt, zodat we geen destructieve gesprekken konden hebben met elkaar. Wij waren niet op de hoogte van elkaars fysieke verwondingen en kwetsuren. Waardoor de competitie ook niet echt heerste. Het behandelend team stond natuurlijk niet te juichen bij zelfverwonding. Maar er kon wel over gepraat worden, er waren geen sancties of dergelijke.

Dan kwam ik terecht op de jeugdafdeling van een psychiatrische kliniek. Waar mijn eerste opnames zo veilig aanvoelden, kwam ik nu in een duiventil terecht. Buiten de therapie-uren was er amper opvolging of begeleiding. Waardoor we als jongeren vaak een hele avond samen zaten te praten. Tips en tricks omtrent zelfverwonding werden al snel ’s gedeeld met elkaar. Dit terwijl de verpleegkundigen veilig in hun welbekende ‘aquarium’ zaten te werken. Tijdens de intake zei de kinderpsychiater dat ‘er niet aan zelfverwonding werd gedaan in de kliniek’. Maar op de eerste avond merkte ik al dat dit onzin was. Zeker nadat medepatiënten vrijwel onmiddellijk vroegen of ze mijn armen mochten zien. Heel veel jongeren begonnen zich te verwonden in de kliniek. En als ze dit al deden, dan werd de zelfverwonding vaak veel ernstiger.

Ook hier werden heel weinig maatregelen getroffen. Als je het te bont maakte, zette het team je onder ‘verhoogd toezicht’, waarbij je extra in de gaten werd gehouden. Als deze maatregel afliep, kon je gewoon weer je eigen gang gaan. Het werd vaak een kat- en muisspelletje. Om toch te kunnen snijden. Gesterkt met de vele tips van anderen. Maar er was amper opvolging.

Dan overkwam me het tegenovergestelde. Als jongvolwassene kwam ik op meerdere paaz-afdelingen* terecht, waar zelfverwonding niet getolereerd werd. Je kreeg één kans. Maar als er voor de tweede keer zelfverwonding plaatsvond, dan werd je vriendelijk maar kordaat aan de deur gezet. Ergens probeer ik deze maatregel te begrijpen, en begrijp ik ze ook. Misschien moet er toch een rem zijn, kan het niet blijven duren. Maar als je net als ik toen al zo’n grillige voorgeschiedenis hebt op vlak van jezelf pijn doen, dan is het toch niet zo eenvoudig om tijdens een korte opname in één keer mee op te houden. En zo geschiedde. Nadat ik één keer werd weggestuurd bedacht ik een nieuwe tactiek. Ik zweeg er gewoon over. Ik verwondde mezelf op plekken waar niemand iets te zoeken had. En zo kon ik de opname voortzetten, werd ik niet buiten gezet. Dit was gevaarlijk want de wonden werden natuurlijk niet door een arts gezien. Maar ik kon voortdoen. Niemand hoefde dit te weten.

En nu komen we op de vraag die ik wil (proberen) te beantwoorden met deze tekst. Wat moet er gebeuren? Moet zelfverwonding nu verboden worden of niet?

Gezien ik allerlei soorten ervaringen heb hiermee, vind ik het niet zo eenvoudig om hier een eenduidig antwoord op te geven. De duiventil is in ieder geval toxisch. Jonge meisjes en vrouwen (of jongens en mannen, of tussenin) die elkaar bijna letterlijk leren hoe je jezelf het zwaarst kan toetakelen. En ten gevolge ook jonge mensen die meer beschadigd ontslagen worden, dan ze waren bij aankomst in de kliniek. Dit kan echt niet de bedoeling zijn. Anderzijds de meer Spartaanse praktijken. Een verbod op zelfverwonding. Een joker, de tweede keer word je buitengezet. Was voor mij ook niet ideaal gezien ik een dubbelleven ging leiden.

En om tot de conclusie te komen. Eigenlijk weet ik het niet. Eigenlijk weet ik niet wat werkt. Ik weet wat niet werkt, maar niet goed wat wel gedaan ‘moet’ worden. Het is voor mij nog steeds niet duidelijk. Hoe men best reageert.

En daarom vroeg ik me af wat jullie vinden?

Zou zelfverwonding verboden moeten worden of niet?

Deel het gerust in de reacties.

Update #1: De pest, de cholera, maar vooral veel zon

Sinds de elektroshocks (ECT) en de opstart van lithium en leponex, gaat het best goed met me. Denk nu niet dat ik twee fulltime jobs ga aannemen en elke avond nog tien kilometer zal gaan hardlopen. De beperkingen blijven -op heel wat levensgebieden- iedere dag pijnlijk merkbaar en voelbaar. Maar op dit moment kan ik zeggen dat ik op bijna twee jaar tijd geen ziekenhuisbed meer van dichtbij heb gezien. Behalve voor mijn slaaponderzoek.

Ik verdraag de medicatie goed. In het begin waren de vele bloedafnames wat vervelend, maar nu zijn ze gereduceerd tot één keer om de drie maanden. Wat heel goed meevalt. En dankzij de thuisverpleging lukt het om mijn medicatie trouw in te nemen. In het verleden slaagde ik er een paar keer in om abrupt te stoppen met mijn medicijnen. Wat hele grote gevolgen kende. Nu wordt mijn medicatie-inname wat meer opgevolgd en dat doet heel veel. Vorige week bleek mijn lithiumspiegel beter te zijn dan ooit tevoren. Heel blij dus. Al blijft het een opgave en bibberen mijn handen als geen ander door de lithium. Maar goed. Geen manische/psychotische opstoten meer. Voelt zo goed.

Zoals overal zitten er ook bij mij addertjes onder het gras. Mijn schildklier weigert dienst. Een veelvoorkomende bijwerking. Intussen al meerdere keren langs de endocrinoloog geweest. Nu neem ik schildklierhormonen maar die blijken niet voldoende te helpen. Daarom heb ik maandag een nieuwe afspraak bij de endocrinoloog in het ziekenhuis. Om te zien wat we kunnen doen.

Eigenlijk is het de pest of de cholera. Als ik mijn lithium zou stoppen, zou mijn schildklier normaal gezien terug in gang schieten. Maar dan riskeer ik hevige manische buien en waan ik me terug Jezus of kandidaat-president van de VS. Niet de bedoeling dus. En als ik lithium blijf nemen dan zal mijn schildklier ambetant blijven. Maar eerlijk gezegd heb ik het er wel voor over. Ik voel me persoonlijk liever psychisch stabiel. Ook als dat betekent dat ik meer medicatie moet nemen.

Verder geniet ik van het goede weer. De zon, de warmte. Eindelijk zomer.

Psychose? Dus je hebt dezelfde ziekte als Kim De Gelder?

Over alles en iedereen zijn er wel vooroordelen te vinden. Net zoals bij psychische aandoeningen. Aanstellerij, aandachtzoekerij, te lui om te gaan werken, je eigen schuld, een zwakkeling, je had maar X of Y wel/niet moeten doen, ze kunnen naar fuiven gaan maar dan wel niet naar school, voor jou is het altijd vakantie, psychose is hetzelfde als psychopathie. En tenslotte: ‘Psychose? dus je hebt dezelfde ziekte als Kim De Gelder?

Dat dus.

Ik had me voorgenomen om geen blog over vooroordelen te gaan schrijven.  Het onderwerp kan me veel te verdrietig maken. En het leek met nutteloos. Ze zijn er, de vooroordelen en misverstanden. En ze zullen er wellicht altijd zijn, over zowat elk facet van een mensenleven. Dus erover schrijven leek me nutteloos.  Al kriebelde het de laatste tijd toch om iets uit mijn pen proberen te krijgen. Dus bij deze een poging. Om de taal te vinden. En om hopelijk (wie weet) toch enkele vooroordelen de wereld uit te helpen.

Ik heb niét dezelfde ziekte/aandoeningen/problemen/wat dan ook als een degoutant persoon als Kim De Gelder. En al woedt de discussie al vele jaren of hij wel ziek is, al dan niet ‘gewoon’ gruwelijk boosaardig. Maar geen zorgen. Zelfs spinnen laat ik leven en zet ik eigenhandig in de tuin om ze aan de katten te doen ontsnappen. Laat staan dat ik een mens zou kunnen pijnigen. Echt niet.

Daarnaast: niet alle mensen met een psychotische kwetsbaarheid zijn hetzelfde, of gevaarlijk. Net zoals niet alle kankerpatiënten niet en alle diabetici hetzelfde zijn. We zijn niet allemaal de zonderlinge, magere man met ongewassen kledij die elke dag meerdere keren voorbij de voordeur schuifelt en iets te lang door het raam naar binnen kijkt. Wij zijn niet allemaal die ene persoon in het dorp die grondig besproken wordt aan de uitgang van de kerk na de wekelijkse misviering. Er is niet zo iemand als ‘de psychoot’. Net zoals er evenmin een ‘autist’ of ‘ADHD-er’ is. Wij blijven gewoon mensen. Gewoon mensen. Vooral mensen.

Ook binnenin de hulpverlening heb ik jammer genoeg veel vooroordelen ervaren. Zelfs verpleegkundigen en ander medisch of paramedisch geschoold personeel behandelden me als ‘de psychoot’ omdat dat toevallig zo in mijn dossier gekriebeld staat. Omdat net die labeltjes me zijn opgekleefd. Er is heel veel stigma buiten psychiatrie, maar jammer genoeg ook binnenin de ‘muren’ van psychiatrie. Vaak ook door mensen die er werken. Het label lijkt soms belangrijker dan de persoon die erachter zit. Een mens met een eigen verhaal. Eigen dromen. Een eigen toekomst. Gelukkig meestal buiten psychiatrie.

Ik ben liever mens dan ziekte.

En bijlange niet Kim De Gelder, vooral dat.

De schade na manie

In mijn manische en hypomane periodes kende ik geen grenzen. Quasi elke week startte ik een nieuw en -volgens mij- geniaal project op, waarmee ik de wereld desastreus zou veranderen. Ik zou de mensheid iets doen inzien, onze planeet anders maken. Ik dacht uitverkoren te zijn. Dus ik startte facebookpagina’s op, maakte logo’s en tekstjes als geen ander. Ik mailde mijn hele adresboek, inclusief oud-leerkrachten, lokale politici en anderen, omtrent een sprankelend project over seksualiteit, dat ik slechts tien minuten voordien had bedacht. Ook begon ik mijn eigen opvang voor verwaarloosde en mishandelde hamsters. Ik was een wervelwind, niet te stoppen. En uiteindelijk richtte ik veel schade aan. Eens mijn gemoed gezondere vormen begon aan te nemen, zag ik welk slagveld mijn storm aangericht had. Ik was manisch geweest.

Na de manie was er veel schaamte. Ik was tenslotte een ‘andere Julie’, ook al bleef ik wel mezelf. Ik voelde dat ik moest bewijzen dat ik anders was dan de persoon die zich de maanden daarvoor zo gek gedroeg. Zo druk. Zo onuitputtelijk. Zo overdreven enthousiast. Zo impulsief. Want wat moest ik nu doen? Hoe moest ik puin ruimen? En hoe moest ik anderen ervan zien te overtuigen dat ik niet de manie ben. Dat ik Julie ben. Dat ik nu wel rustig kan zijn. Dat ik nu wel nadenk voor ik iets onderneem. Dat ik niet zomaar een hoop hamsters in huis haal. Of tientallen mensen mail omtrent net bedachte en toch niet zo geniale projecten.

Het is moeilijk uit te leggen hoe het voelt om na een manische en/of psychotische periode terug contact op te nemen met mensen die me enkel tijdens de voorafgaande crisis hebben gekend. Mensen die me enkel als ‘manische en psychotische Julie’ kennen, niet als de stabiele, rustige Julie van daarvoor. Vaak schaam ik me dan echt voor hoe ik me gedroeg. Dan pieker ik ook over het niet meer serieus genomen te worden. Want ik ben toch die gekke jonge vrouw die denkt dat ze president van Amerika zal worden? Hoe kan die gekkin nu X of Y doen? Terwijl ik me er intussen helemaal van bewust ben dat president van Amerika worden een beetje hoog gegrepen is. En dat ik helemaal niet naar Amerika wil. De schade in het landschap is soms gigantisch. En ik weet niet altijd hoe het te herstellen. Ook aankopen die ik heb gedaan, dure spullen die ik na de manie nooit meer heb gebruikt. Zoals een tablet die stof ligt te vergaren.

Het is niet altijd eenvoudig om te leven met de angst dat dit weer zal gebeuren. Dat de euforie en volledige grenzeloosheid me opnieuw zal overvallen, ook al gaat het nu wel goed. Ik heb de ECT gehad. Ik neem m’n lithium en andere medicijnen. Het gaat goed.

Maar de angst blijft sluimeren. En ik hoop zo dat ze nooit in werkelijkheid zal veranderen.

Hoe elektroshocks mijn leven veranderden

‘Geen van mijn twee vooroordelen klopte’

Toen men mij op een warme zomerdag voorstelde om elektroconvulsietherapie (ECT) te proberen, schrok ik wel even. Ik had een verkeerd beeld van deze behandeling, dacht onmiddellijk aan de film ‘One Flew Over the Cuckoo’s Nest’ en de bijhorende gruwelijke beelden. Daarnaast dacht ik ook dat ECT een eindstation was. Dat je ‘uitbehandeld’ moest zijn om voor deze therapie in aanmerking te komen. Geen van mijn twee vooroordelen klopte.

Ik merkte er niets van

ECT is tegenwoordig een behandelmethode die verre van gruwelijk of pijnlijk is. De elektrische stroomstoot wordt onder een korte narcose toegediend. En je krijgt ook een spierontspannend middel ingespoten dat er voor zorgt dat je geen spierpijn hebt achteraf. Eigenlijk merkte ik er helemaal niets van. Het enige wat ik voelde was een lichte hoofdpijn de uren na de behandeling. En dat mijn geheugen het liet afweten, maar dit heeft zich toch deels hersteld. Ik blijf wel vergeetachtiger dan vroeger.

ECT als eindstation

Ook dat ECT een ‘eindstation’ is, klopt helemaal niet. Eigenlijk houd ik helemaal niet van de term ‘uitbehandeld’, ik ben ervan overtuigd dat progressie in veel situaties mogelijk is. Voor mij was ECT niet de laatste halte in de weg naar mijn herstel. Het was gewoon een overstap naar een andere trein, een trein die zich vlotter over de rails voortbeweegt, niet ontspoort. Ik zag de ECT als een nieuwe start.

ECT als derde hoek

Ik heb mijn weg naar herstel lang als een driehoek uitgebeeld. Maar uiteindelijk besefte ik dat er een hoek ontbrak aan de meetkundige vorm die ik mijn herstelproces gegeven had. Psychotherapie en medicatie vormden twee hoekstenen. En uiteindelijk merkte ik dat het met ECT als derde hoek, toch completer was.

Ik werd terug Julie

Ik heb in totaal negentien ECT-behandelingen gekregen. Eerst intensief: 2x per week. Daarna volgde een onderhoudsbehandeling met één behandeling om de paar weken. Vanaf de derde à vierde behandeling voelde ik verandering. Mijn stemming was niet meer zo eufoor als voor de ECT, toen ik echt hypomaan was. Ik dacht niet meer dat ik alle zeeën stuk voor stuk plasticvrij ging maken, of president van Amerika ging worden. Ik werd terug Julie. Gewoon Julie. Iemand met kwetsbaarheden, maar met minstens evenveel mogelijkheden.

Voeling met de realiteit

En vanaf de vijfde behandeling steeg het positief effect gradueel. Wanen en hallucinaties verdwenen naar de achtergrond, ik zag niet meer overal felgekleurde vlinders vliegen, ik kreeg terug voeling met de realiteit. Die terugkeer naar de realiteit was best wel pijnlijk. Het voelde alsof mijn hypomane episode mij dingen deed vergeten, herinneringen aan het langdurig vroegkinderlijk trauma dat ik heb meegemaakt. Zaken die ik eigenlijk liever vergeet maar die zich als beschonken matrozen telkens opnieuw aan me opdringen.

Een nieuw evenwicht

Toch deed het me goed een nieuw evenwicht te vinden. Mijn stemming was niet langer een ontregelde thermostaat, die het huis of op 30 graden verwarmde, of helemaal liet afkoelen. Mijn gemoed was geen -2 of 12 meer, mocht ik het scoren op tien. Ik vond stabiliteit in mijn stemming en valse waarnemingen.

Voor mij is ECT een grote hulp geweest. Jarenlang had ik een vertekend beeld van wat deze therapie juist inhoudt, en was ik te angstig om het te proberen. Nu denk ik alleen maar: ‘had ik deze behandeling maar vroeger een kans gegeven. Had ik maar niet zo lang gewacht.’

Anderhalf jaar lithiumtherapie: de balans

Anderhalf jaar geleden werd er in goed overleg lithium toegevoegd aan mijn medicatieschema. Voor mij was dit ietwat beangstigend. Dit omdat ik in de wandelgangen van het leven al veel griezelige verhalen had gehoord over dit medicijn. Te hoge lithiumspiegels, ziekenhuisopnames,… Lithium leek me een heel eng medicijn om in te nemen en ook wat ‘de laatste optie’. Al was dit niet zo.

Op 7 augustus 2019 kwam ik in hele verwarde toestand op de spoeddienst terecht. Dit verhaal schreef ik hier al eens neer. Er volgde een ziekenhuisopname en toen werd het medicijn opgestart. Voor mij was dit niet gemakkelijk want ik geloofde niet dat ik medicijnen nodig had. Er was tenslotte niets aan de hand met mij. Ik was Jezus. En ik zou president van Amerika worden. Ik had geen medicatie nodig. Men zou me toch vergiftigen hiermee. Enzovoort.

Toch kreeg men mij (waarvoor dank) zover om terug medicijnen te nemen. Waaronder lithium. Aanvankelijk moest ik twee keer per week een bloedonderzoek laten doen. En dat was niet gemakkelijk. Toen ik nog in het ziekenhuis was, ging het gemakkelijker omdat ik veel minder te regelen had. De verpleegkundige kwam op de kamer om het bloed af te nemen en dan hoorde ik het later wel van de psychiater. Eens ik uit het ziekenhuis was vond ik het veel moeilijker om te regelen. Een telefoontje naar het secretariaat van de huisarts lijkt eenvoudig, maar is voor mij telkens al een grote stap. Maar gelukkig geen angst voor naalden. Toch dat. 🙂

Uiteindelijk leek het te lukken. Al was het lastig om mijn lithiumspiegel goed te krijgen en diende de dosis vaak verhoogd te worden. Tot ik op een dosis kwam die een voldoende en stabiele spiegel deed. En het ging, buiten wat bevende handen en een vreemde smaak in mijn mond. Het ging. De extreme hoogtes werden vlakker, de putten minder diep. Ik was geen Jezus meer. En al ben ik gehuwd met een man met een Bijbelse naam, ik zie hem niet meer als apostel. Godzijdank.

Achteraf gezien ben ik heel blij dat ik met lithium ben gestart. Het geeft me een stabiliteit die ik voordien lang niet meer had ervaren. Al is het ook geen wondermiddel die alle zorgen overneemt.

Herstellen – herstellend – hersteld.

We geven niet op.

Mijn pijnverhaal

De zaken die ik eerder op deze blog postte, gingen meestal over mijn psychische kwetsbaarheid. Maar dat is jammer genoeg niet het enige. Naast de psychosegevoeligheid leef ik al heel wat jaren met chronische pijn. Al heb ik daar nog niet zo vaak over geschreven. Sinds het voorjaar van 2013 heb ik ook periodieke clusterhoofdpijn. Gelukkig is dit nu onder controle met de medicatie die ik neem, al blijft de angst voor aanvallen groot. Maar over de clusterhoofdpijn schrijf ik later een aparte blogpost. Die pijn heeft zo’n groot aandeel in mijn leven dat het een eigen hoekje ‘verdient’. Of eerder opslorpt.

Ooit was ik dertien

Op het einde van het eerste middelbaar sloeg de bom in. Genadeloos. Ik had last van wijdverspreide spierpijn, een drukkende hoofdpijn en een slopende vermoeidheid. Ik bleef thuis van school. De huisarts liet mijn bloed op allerlei aandoeningen testen, maar er kwam niets bruikbaar uit. Er volgde een doorverwijzing naar de kinderarts. Ook daar doorliep ik alle mogelijke onderzoeken, wederom zonder noemenswaardige resultaten. Ik was intussen al weken niet meer naar school geweest. Toen werd ik op de kinderafdeling van het ziekenhuis opgenomen. Er volgden gesprekken met een psychologe die me overspannen en depressief noemde. Dat was ook zo. Alleen werd ik direct uit het ziekenhuis ontslagen, zonder noemenswaardige nazorg. Men noemde het psychosomatisch, dus er was niets aan de hand. Ik kon terug alles doen wat ik voorheen deed. Dus na negen weken ging ik terug naar school. Halve dagen gelukkig. Maar veel begrip was er niet.

Ik kon dankzij enkele geduldige leerkrachten zoveel mogelijk inhalen van die negen gemiste weken. Ik hoefde ook geen examens af te leggen, omdat ik tijdens de eerste twee trimesters goede resultaten behaalde. Maar de sfeer werd grimmig. De klastitularis verklaarde op het oudercontact dat ‘dit niet meer mocht gebeuren’. De internaatsopvoeder zei voor de ganse groep dat ik ‘moest stoppen met alsof te doen, want er was niets aan de hand’. Mijn fysieke klachten hadden geen naam, dus het bestond voor velen niet. Maar de pijn was immens, de vermoeidheid ook. Ik twijfelde aan mezelf en begon te denken dat ik me het inbeeldde, net zoals me zo vaak was gezegd. Ik hulde me in een stilzwijgen en ging naar het tweede middelbaar.

Ooit was ik achttien

De jaren gingen voorbij. De pijn bleef zeuren maar ik durfde er niet meer zo goed over te praten. Ik deed voort. Tot ik op mijn achttiende weer een zware opstoot kreeg. Immense pijn en vermoeidheid. Genadeloos. In die mate dat zelfs de trap nemen moeilijk werd. Ik werd opnieuw binnenstebuiten gekeerd en er werden allerlei diagnoses gesteld. Spasmofilie, fibromyalgie, trapeziussyndroom, chronische vermoeidheid. Enzovoort.

Een jaar lang heb ik me toen met medicatie en allerlei lapmiddelen proberen behelpen. Het was dweilen met de kraan open. Bewegen werd steeds moeilijker en ik voelde me niet altijd even serieus genomen. Want ik zag er heel gezond uit. Net zoals je als buitenstaander mijn psychische problemen niet kon ‘zien’.

Toen ik voor de zoveelste keer lamlendig, stijf en stram bij de huisarts was, stelde zij voor om een revalidatietraject te gaan volgen. Dit bij de pijnkliniek van een naburige stad.

Pijnkliniek

Na enkele gesprekken en (gelukkig) weinig extra onderzoeken werd ik toegelaten voor het revalidatietraject. Twaalf weken lang zou ik aan verschillende behandelingen deelnemen. Terug leren bewegen bij de kinesist, relaxatietherapie bij de psycholoog, ergotherapie, enzovoort. Hoewel ik een wrak was, ben ik er toch voor gegaan. Ik had weinig te verliezen want er waren slechts weinig zaken die ik nog kon. Dus ik startte ermee.

De diagnoses die ik eerder kreeg, besloot ik niet meer te gebruiken. Voor mij zijn het verzamelbegrippen, overlappen elkaar zo dat ik er weinig aan heb. Ik heb chronische pijn. Die term gebruik ik nu. Niet meer alle labels die zo weinig zeggen. Want ze maken me niet beter. Ik wil me er ook niet mee identificeren.

Ooit beter?

Aanvankelijk startte ik met iets teveel verwachtingen aan het traject in het ziekenhuis. Ik dacht dat men mij daar volledig van mijn pijn zou verhelpen. Ik was tenslotte slechts twintig en wou doen wat andere jongeren deden: naar festivals gaan, reizen,… Bij mij lukte dit niet en dat was heel pijnlijk. Dus ik stelde al mijn hoop op de artsen en hoopte dat zij het gingen oplossen. Maar dat was niet zo.

De pijn is niet weg. Helemaal niet. Ik leef nog elke dag met een zeurende kniezende pijn. Maar net dat probeer ik te plaatsen. Toen ik vroeger naar steeds zwaardere pijnstillers greep, besefte ik op de duur ook wel dat de sleutel daar niet lag. Ik bleef zoeken naar medicijnen die alles zouden oplossen, maar ik keerde telkens van een kale reis terug. Ik moest het zelf doen. Zoeken wat voor mij verlichting kon geven, in plaats van de magische oplossing.

Dus ik richtte mijn pijlen op bewegen, mijn conditie opbouwen. Er zijn momenten geweest dat ik aan een slakkentempo huilend op de loopband stapte. Wanhopig. Angstig. Maar er kwamen ook beter momenten, waarop ik de pijn kon plaatsen. Ik begon met zwemmen en deed rondjes op mijn elektrische fiets.

Naast het bewegen ging ik aan de slag met mindfulness en relaxatie. Ik bouwde mijn medicatie af tot alleen wat echt nuttig was. En de psychiater en psycholoog bleven me ondersteunen waar dat nodig was.

De pijn is er elke dag. Maar ik voel me gelukkiger en actiever, kan meer doen. Ik kan terug vrij ademen, voel terug zin in het leven.

Met de pijn, de pijn blijft.

Ik heb pijn, maar ik laat de pijn mij niet hebben.

11 jaar geleden, 11 jaar later

Op 22 november 2009 veranderde het. Toen ik deze zondagavond via de spoeddienst naar de afdeling psychiatrie werd doorgesluisd, besefte ik het. Mijn leven zou anders worden. Het was al enkele jaren bezig, wat men toen voorzichtig als depressie formuleerde. Depressie, het leek recht uit een catalogus van de Ikea geplukt te zijn. Een depressie was niets voor vijftienjarigen. Naar fuiven gaan, dat was iets voor vijftienjarigen. Maar dit niet. We wandelen door de lange gang naar de EPSI, een plek waar ik nog veel zou komen. Een verpleegkundige opende de deur voor me. De deur zat op slot. Ik zat op slot. Opgesloten. En ik zag vrijwel niets want ik had bril noch lenzen bij me. Men gaf me een pilletje om te slapen. Ik kon de vrouw die me het pilletje gaf niet helder zien, maar ze leek wel lief. Al was ik ook achterdochtig. ‘Wat gaat er nu gebeuren?’

‘Rustig’, zei ze. ‘Eerst een goede nachtrust, morgen zien we wel’ verder.’

Verder leek een eeuwigheid te duren. Net zoals de nacht in dit vreemde ziekenhuisbed.

Het werd ochtend. Men serveerde me een stapeltje boterhammen met aardbeienconfituur maar ik kreeg niets binnen. Ik lepelde het yoghurtje dan maar op om toch iets in mijn maag te hebben. De angst won van de eetlust. Mijn onaangeroerde boterhammen waren net weggenomen toen een vrouw mijn kamer binnenwandelde. Een stevige tred en een indrukwekkende bos sleutels aan haar broeksriem. Zij bleek psychologe te zijn. Ze praatte even met me en overhandigde me enkele vragenlijsten die ik moest invullen. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes om de vragenlijsten minutieus te kunnen invullen, zonder bril. Ik gaf ze aan een verpleegkundige. Een paar uur later kwam de psychologe op de hoek van het ziekenhuisbed zitten. Het enige wat ik me herinner zijn de woorden ‘depressie’ en ‘verdere opname op de kinder- en jeugdpsychiatrie’. Ik kon er wel mee leven want schoolgaan was al heel lang niet meer mogelijk. Ook al deed ik het wel. Ik ging kapot.

Ik kon de dag zelf nog in de kinderpsychiatrie terecht voor een opname. Intussen waren er nog enkele gesprekken. De meeste woorden waren nog te beangstigend om neer te schrijven. Ik moest aan school denken, wat zouden de anderen zeggen? Ik had ook geen GSM bij dus ik kon niemand bereiken. De dag duurde lang en ik volgde de schooldag vanop afstand mee, volledig in mijn hoofd. ‘Nu is het turnles, straks Nederlands,…’ Ik besefte nog niet dat school nu absoluut geen prioriteit was. Ik besefte (gelukkig) ook niet dat ik vier schooljaren zou verliezen. Vier jaren die zomaar werden weggekaapt.

Eens het avond werd zag ik mijn ouders terug. Samen gingen we naar het ziekenhuis waar de opname zou plaatsvinden. Eenmaal in het ziekenhuis namen we de lift naar de afdeling waar het zou gebeuren. Deze afdeling was ook op slot. Er was een deurbel en er kwam een begeleider de deur openen voor ons. Dat voelde heel erg beangstigend, en tegelijkertijd veilig. Er volgde een gesprek met de kinderpsychiater. Ik had nog nooit een psychiater van dichtbij gezien en was heel erg nerveus. De enige psychiater die ik kende was Hannibal Lecter dus dat was niet echt hoopgevend. Gelukkig bleek deze arts geen kannibalistische trekken te hebben. Hij was zelfs vriendelijk. Misschien zelfs lief. En de opname kwam er. Beginnend met een week crisisopname. Ik kreeg een kamer en installeerde me, nog steeds niet beseffend wat er aan het gebeuren was. Gelukkig had ik toen wel m’n bril terug en hoefde ik -mijn intussen vermoeide- ogen niet meer telkens tot spleetjes te knijpen.

De opvoeder kwam de kamer binnen en vertelde dat ik kon kennismaken met de groep. Dit maakte me instant nog zenuwachtiger. Wat moest ik gaan vertellen? Ik betrad de leefruimte en alle jongeren stelden zich voor. Naam. Leeftijd. Hoe lang je hier al bent. Ik mompelde mijn naam en leeftijd en dat ik hier net was. Verder zweeg ik. Ik kon eten op de kamer, de groep had al gegeten. En ’s avonds keken we naar een programma van Tom Waes. Het werd nacht. De nachtverpleegkundige kwam me een goede nacht toewensen. Een goede nacht werd het niet, maar wel de eerste van een nieuw tijdperk.

En dan was het zo. Vijftien en opgenomen in psychiatrie.
Voor mij leek dit het einde.

Maar eigenlijk moest het nog beginnen.

100 dagen rookvrij! Dit is hoe ik het deed

In totaal heb ik ‘slechts’ vijf jaar gerookt. Ik zet ‘slechts’ tussen aanhalingstekens, want het waren vijf jaren van pure verslaving. Na enkele sigaretten had ik al het gevoel dat ik niet meer zonder kon. Toen ik na een operatie niet mocht roken, ontsnapte ik uit mijn ziekenhuiskamer. Om dan, nog groggy van de narcose, toch sigaretten te staan roken aan de ingang van het ziekenhuis. Ik kon niet zonder. Roken was het eerste wat ik deed na de misviering van onze trouw. In mijn wit trouwkleed, met die verdomde sigaret in mijn hand. Voor mij was het toen duidelijk dat ik nooit zou kunnen stoppen. Dat dacht ik toch.

Verschillende stoppogingen

Toch wou ik heel graag stoppen, alleen voelde het alsof de nicotine sterker was dan ik. Alleen, maar ook samen met de huisarts, zette ik strategieën in en ging ik mijn eigen rookgedrag analyseren. Ik was een kettingroker. Roken was het eerste wat ik deed bij het opstaan, en het laatste voor ik ging slapen. Zelfs toen ik voor een medische ingreep niet mocht roken, deed ik het toch. Niet omdat ik het wou, het lukte gewoon niet om het niet te doen. Ook al was de kans op volledig herstel veel kleiner als roker. Ik wou wel stoppen, maar verloor telkens de strijd tegen dat rolletje tabak.

Er kwamen verschillende strategieën. We probeerden nicotinepleisters. Ik kreeg er huiduitslag van, dus we gingen over op de muntjes en kauwgom. Het hielp ergens wel, maar leek niet voldoende. Op de één of andere manier ging het niet. Dan probeerden we Champix, wat een grote hulp was. Dankzij Champix (en mijn positieve ingesteldheid) lukte het toch om een aantal maanden niet te roken. De zin in sigaretten was veel minder. En als ik rookte, smaakte de sigaret niet zoals vroeger. Champix is een grote hulp geweest. Maar na een hele stresserende gebeurtenis greep ik een aantal maanden later toch weer naar de sigaret.

moedeloos wordt moedig

Ik rookte terug een tijdje. En ik gaf de hoop langzaam aan op. Ik voelde me een zwakkeling omdat het zelfs met hulpmiddelen niet lukte om te stoppen. Terwijl ik helemaal geen zwakkeling was. Het proberen om te stoppen alleen al vind ik een heel moedig proces. Alleen begon ik steeds lelijker te hoesten. Ik heb gevoelige, licht astmatische longen en heb daardoor vaak een puffer nodig. Maar nu waren het niet meer ‘gewoon gevoelige longen’. Het was een lelijke en rochelende hoest, er was kortademigheid, enzovoort.

Manlief en ik hadden er op een gegeven moment woorden over, over mijn steeds zwakker wordende gezondheid. En in een opwelling gaf ik mijn sigaretten aan hem en zei ik: ‘hier, ik hoef ze niet meer’.

En ik stopte met roken.

En ik deed voort, rookte niet meer. De eerste weken waren een hel, wat snakte ik naar die ‘veilige’ tabak. Maar ik kreeg ook langzaam aan wat meer lucht, kon beter ademen, met minder gereutel in mijn borstkas. Ik hoestte steeds minder vreemde substanties op. Ik rekende uit hoeveel geld ik bespaarde. En op moeilijke momenten kon ik steeds bij mensen terecht, en ik belde ook een paar keer naar Tabakstop om mij uit de nood te helpen. Wat een enorme hulp was. Er waren zoveel mensen die me steunden, en ik werd zo trots op mezelf. Ja, ik kon het. Ja, ik kon zonder sigaret.

Aan mensen die eraan denken om te stoppen met roken, zou ik zeggen: doen! Het zal niet gemakkelijk worden en het is een hele strijd. Maar het is zoveel waard. Je gezondheid, je portefeuille, enzovoort.

Laat je omringen. Je kan het.