Het kind met de lange mouwen in de turnles

Dertien was ik. Ik maakte een eerste kras in mijn linkerarm en schrok van mezelf. Ik dacht dat ik ‘gek’ was geworden. Van zelfverwonding had ik nog nooit gehoord. Wist ik veel dat er nog mensen waren met mijn probleem. De eerste jaren kon ik de krassen goed verbergen. Ik had voor alles smoesjes. De kat krabde me, ik was gevallen tijdens het paardrijden. Ik zocht telkens manieren opdat mijn krassen niet ontdekt zouden worden.

Ik was een meester in het verbergen van mijn problemen. Ik zat vreselijk slecht in mijn vel, maar gaf geen kik. Ik schaamde me, en was bang om als ‘anders’ aanzien te worden. Het liefst van al hoorde ik ‘erbij’. Wat dat dan ook mocht betekenen. Maar ‘anders zijn’ leek me een hel.

Mijn ouders hadden me al meegenomen naar kinderpsychologen. Maar daar zette ik mijn perfect ingestudeerde masker op. Een masker die ik jarenlang ineen had geboetseerd om toch maar niet op te vallen als ‘puber met problemen’. Ik schaamde me. En van zaken zoals Rode Neuzendag was nog helemaal geen sprake.

De eerste twee jaren van het middelbaar bracht ik in een kleine katholieke school door. Ik zat op internaat, maar daar ging de situatie naar het randje van pestgedrag toe. Ik werd lelijk en raar genoemd. Ik werd uitgelachen omwille van m’n acne. Halverwege het tweede middelbaar haalden m’n ouders me thuis van het internaat. Ik ging voortaan met de bus naar school. Toen kwam ik in een hechte vriendengroep terecht. Maar over het krassen zweeg ik als de pest.

In het derde middelbaar veranderde ik van school. Ik ging naar een elitaire school waar ook een uniform gedragen moest worden. Steeds had ik het gevoel dat je ‘er pas bij hoorde’ als je uit Knokke kwam. Ik had een schijthekel aan het elitaire karakter van de school. Als creatieve jonge puber had ik nood aan vrijheid, aan het kunnen uiten van mijn creativiteit.

Tijdens dat schooljaar, het derde middelbaar, werd mijn krassen ontdekt.

Voor de turnles dienden we een shirt met het logo van de school en korte mouwen te dragen. Ik kromp ineen bij de gedachte aan korte mouwen. In het tweede middelbaar waren de krassen nog niet zo zichtbaar. Ik kon ze nog verbergen. Nu kon ik er niet onderuit dat ik effectief een shirt zou moeten dragen, en dat de wonden zichtbaar zouden zijn.

In een hoekje van de kleedkamer kleedde ik me om. In de hoop dat ik zo onopvallend mogelijk kon blijven. Boven het T-shirt deed ik mijn uniformtrui. Ik zou wel een smoesje bedenken om de trui te kunnen aanhouden. Maar eenmaal in de turnzaal, zei de leraar dat ik mijn trui moest uitdoen. Ik kromp ineen. Het werd een ‘welles-nietes’ spelletje en uiteindelijk werd ik terug naar de kleedkamer gestuurd. Met trui. Die vijftig minuten leken maar niet voorbij te gaan.

Na de turnles liep de leraar zich bij me. Hij noemde me hautain en verwaand omdat ik zonder verpinken ‘neen’ zei over iets simpel als een trui uitdoen. Maar voor mij was het niet simpel. Ik moest en zou m’n wonden verbergen.

Uiteindelijk werd afgesproken dat ik een shirtje met lange mouwen onder mijn turnshirt mocht dragen.

Dan kwam ik bij de leerlingenbegeleider en CLB-psychologe terecht. Praten was enorm moeilijk en het grootste deel van mijn problematiek verzweeg ik. Maar het gevoel dat er iemand klaarstond om naar me te luisteren, deed wonderen.

De rest van het schooljaar turnde ik in lange mouwen. Een jaar later werd ik voor het eerst opgenomen in de kinderpsychiatrie.

De jaren voor die opname, waren veruit de eenzaamste van mijn leven.

Maar ik ben er nog. Ik adem. Ik leef. Ik doe voort

En voor de turnkledij werd een oplossing gezocht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s